Samenvatting: Pedagogisch Methodisch Werken Jeugdzorg
Handboek Psychodiagnostiek voor de hulpverlening aan kinderen en adolescenten
J. A. Tak, J. D. Bosch, S. Begeer en G. Albrecht (red.), achtste, geheel herziene druk
Week 1
Twee: Theoretische aspecten van diagnostiek
4.7 Visies op normaliteit
Om vast te stellen welk gedrag een afwijking dan wel een probleem is, moet duidelijk zijn wat
normaal is. Bij alle tradities en modellen worden criteria gehanteerd voor het onderscheiden
van een normale- van een problematische ontwikkeling. Vier groepen criteria:
1. Normaliteit als de afwezigheid van stoornissen; binnen deze benadering is men
gezond zolang men niet ziek is;
2. Normaliteit als statistisch gegeven; hierbij wordt gerefereerd aan empirisch vastge-
stelde normen over welk gedrag in welke mate op welke leeftijd voorkomt;
3. Normaliteit als ideale of gewenste toestand; hierbij wordt gerefereerd aan te berei-
ken doelen, die meestal berusten op maatschappelijke en culturele overwegingen of op een
therapeutische visie;
4. Normaliteit als succesvolle adaptatie, dat wil zeggen het flexibel en effectief om-
gaan met de mogelijkheden en beperkingen van het leven van alledag, zodat het sociale
leven en het arbeidsleven zich optimaal kunnen ontwikkelen.
4.7.1 De norm van afwezigheid van stoornissen
Binnen de psychiatrische traditie gelden voor de vaststelling de criteria beschreven in de
DSM en ICD.
Deze norm werd voorheen altijd dichotoom gebruikt: er is wel of geen stoornis. In de DSM-5
zijn sommige dichotome classificaties verder uitgewerkt als continuüm: een graduele inschat-
ting van de problematiek op een driepuntsschaal.
Dit criterium wordt tegenwoordig altijd gehanteerd in combinatie met het vierde criterium.
4.7.2 De statistische norm
Een tweede manier om normaliteit vast te stellen is gebaseerd op onderzoek naar de vraag
welk gedrag op welke leeftijd gemiddeld veel voorkomt. De statistische informatie geeft de
diagnosticus een referentiekader voor de beoordeling van individuele verschillen.
De normen kunnen op verschillende manieren worden uitgedrukt. Een belangrijk begrip bij
deze instrumenten is het concept ‘ontwikkelingsleeftijd’.
Voor het signaleren welke kinderen achter zijn in hun ontwikkeling of opvallen door bepaald
gedrag is het gebruik van een empirische norm zeer vruchtbaar.
De betekenis van een score hangt samen met de context waarin iemand verkeert: een jeug-
dige met een wat lagere intelligentie zal in een hectische, onoverzichtelijke hoog-industriële
samenleving eerder in de problemen komen dan in een rustiger, minder geïndustrialiseerde
omgeving.
De beoordeling van statistische extremen is daarmee ook afhankelijk van wat men in een
bepaald maatschappij of een bepaalde cultuur gewenst of ongewenst vindt.
Handboek Psychodiagnostiek voor de hulpverlening aan kinderen en adolescenten
J. A. Tak, J. D. Bosch, S. Begeer en G. Albrecht (red.), achtste, geheel herziene druk
Week 1
Twee: Theoretische aspecten van diagnostiek
4.7 Visies op normaliteit
Om vast te stellen welk gedrag een afwijking dan wel een probleem is, moet duidelijk zijn wat
normaal is. Bij alle tradities en modellen worden criteria gehanteerd voor het onderscheiden
van een normale- van een problematische ontwikkeling. Vier groepen criteria:
1. Normaliteit als de afwezigheid van stoornissen; binnen deze benadering is men
gezond zolang men niet ziek is;
2. Normaliteit als statistisch gegeven; hierbij wordt gerefereerd aan empirisch vastge-
stelde normen over welk gedrag in welke mate op welke leeftijd voorkomt;
3. Normaliteit als ideale of gewenste toestand; hierbij wordt gerefereerd aan te berei-
ken doelen, die meestal berusten op maatschappelijke en culturele overwegingen of op een
therapeutische visie;
4. Normaliteit als succesvolle adaptatie, dat wil zeggen het flexibel en effectief om-
gaan met de mogelijkheden en beperkingen van het leven van alledag, zodat het sociale
leven en het arbeidsleven zich optimaal kunnen ontwikkelen.
4.7.1 De norm van afwezigheid van stoornissen
Binnen de psychiatrische traditie gelden voor de vaststelling de criteria beschreven in de
DSM en ICD.
Deze norm werd voorheen altijd dichotoom gebruikt: er is wel of geen stoornis. In de DSM-5
zijn sommige dichotome classificaties verder uitgewerkt als continuüm: een graduele inschat-
ting van de problematiek op een driepuntsschaal.
Dit criterium wordt tegenwoordig altijd gehanteerd in combinatie met het vierde criterium.
4.7.2 De statistische norm
Een tweede manier om normaliteit vast te stellen is gebaseerd op onderzoek naar de vraag
welk gedrag op welke leeftijd gemiddeld veel voorkomt. De statistische informatie geeft de
diagnosticus een referentiekader voor de beoordeling van individuele verschillen.
De normen kunnen op verschillende manieren worden uitgedrukt. Een belangrijk begrip bij
deze instrumenten is het concept ‘ontwikkelingsleeftijd’.
Voor het signaleren welke kinderen achter zijn in hun ontwikkeling of opvallen door bepaald
gedrag is het gebruik van een empirische norm zeer vruchtbaar.
De betekenis van een score hangt samen met de context waarin iemand verkeert: een jeug-
dige met een wat lagere intelligentie zal in een hectische, onoverzichtelijke hoog-industriële
samenleving eerder in de problemen komen dan in een rustiger, minder geïndustrialiseerde
omgeving.
De beoordeling van statistische extremen is daarmee ook afhankelijk van wat men in een
bepaald maatschappij of een bepaalde cultuur gewenst of ongewenst vindt.