Uitwerking Algemene Rechtswetenschap: Verbintenissen uit de wet
Hoofdstuk 9 Verbintenissen uit de wet blz. 319 t/m 353
9.1 De onrechtmatige daad blz. 320 t/m 322
‘Hij die jegens een ander een onrechtmatige daad pleegt, welke hem kan worden
toegerekend, is verplicht de schade die de ander dientengevolge lijdt, te vergoeden’ (art.
6:162 lid 1 BW). In het maatschappelijke leven ontstaat schade op allerlei manieren. Er zijn
echter twee belangrijke categorieën schadegevallen die buiten het bereik van art. 6:162 BW
blijven. De eerste categorie is de schade die men aan zijn zaken lijdt door eigen toedoen
(bijv. automobilist parkeert zijn auto tegen een paaltje). De tweede categorie is de schade
die ontstaat bij de nakoming van een overeenkomst. Deze schade is geregeld in art. 6:74 BW
en berust op wanprestatie. Uit art. 6:162 lid 2 valt af te leiden wat er wel onder een
onrechtmatige daad wordt verstaan. ‘Als onrechtmatige daad worden aangemerkt een
inbreuk op een recht en een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht of met
hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, een en ander
behoudens de aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond’ (art. 6:162 lid 2 BW). Veel
onrechtmatige daden zijn niet anders dan onopzettelijke ongelukken, waarbij een ander
schade lijdt. Soms vallen een onrechtmatige daad en een strafbaar feit samen. Voorbeeld is
een cafébezoeker die vier voortanden van de barman uit zijn mond slaat. Hij pleegt dan een
misdrijf (art. 300 Sr, verbod op mishandeling) en kan een procedure van het OM tegemoet
zien, plus een civielrechtelijke procedure van de barman, namelijk het vorderen van de
tandartsrekening als gevolg van de klap die de cafébezoeker uitdeelde. In de civielrechtelijke
procedure is dan conform art. 6:162 BW sprake van een onrechtmatige daad. Onrechtmatige
daad en een strafbaar feit moeten goed onderscheiden worden. Er zijn een aantal
belangrijke verschillen:
- De onrechtmatige daad heeft (als het gaat om een doen of nalaten in strijd met
wettelijke plichten) een veel groter bereik dan de plichten in het strafrecht, omdat
wettelijke plichten door het hele recht heen bestaan.
- De onrechtmatige daad verschilt in aard en regeling van de sanctie ten opzichte van
een strafbaar feit. De onrechtmatige daad heeft namelijk als sanctie de
schadevergoeding. Uitgangspunt van deze regeling is in beginsel dat de geleden
schade volledig ongedaan wordt gemaakt middels een schadevergoeding. Het
opleggen van een straf herstelt het onrecht niet en kan deze ook niet herstellen.
- De aansprakelijkheid van de onrechtmatige daad wordt uitsluitend bepaald door de
hoogte van de geleden schade (bijv. de tandartsrekening). Bij een strafbaar feit wordt
de hoogte van de straf door een groot aantal factoren bepaald (bijv. strafblad, mate
van de overtreding enz.).
Uit art. 6:162 BW blijkt dat er aan vier vereisten moet worden voldaan om bij de pleger van
een onrechtmatige daad een wettelijke verplichting tot schadevergoeding te doen ontstaan:
1. Onrechtmatigheid (de ‘onrechtmatige daad’ zelf, §9.2)
2. Toerekening aan de dader (‘welke hem kan worden toegerekend’, §9.3)
3. Causaal verband tussen de daad en de schade (‘dientengevolge’, §9.4)
4. Schade (§9.5)
Hoofdstuk 9 Verbintenissen uit de wet blz. 319 t/m 353
9.1 De onrechtmatige daad blz. 320 t/m 322
‘Hij die jegens een ander een onrechtmatige daad pleegt, welke hem kan worden
toegerekend, is verplicht de schade die de ander dientengevolge lijdt, te vergoeden’ (art.
6:162 lid 1 BW). In het maatschappelijke leven ontstaat schade op allerlei manieren. Er zijn
echter twee belangrijke categorieën schadegevallen die buiten het bereik van art. 6:162 BW
blijven. De eerste categorie is de schade die men aan zijn zaken lijdt door eigen toedoen
(bijv. automobilist parkeert zijn auto tegen een paaltje). De tweede categorie is de schade
die ontstaat bij de nakoming van een overeenkomst. Deze schade is geregeld in art. 6:74 BW
en berust op wanprestatie. Uit art. 6:162 lid 2 valt af te leiden wat er wel onder een
onrechtmatige daad wordt verstaan. ‘Als onrechtmatige daad worden aangemerkt een
inbreuk op een recht en een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht of met
hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, een en ander
behoudens de aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond’ (art. 6:162 lid 2 BW). Veel
onrechtmatige daden zijn niet anders dan onopzettelijke ongelukken, waarbij een ander
schade lijdt. Soms vallen een onrechtmatige daad en een strafbaar feit samen. Voorbeeld is
een cafébezoeker die vier voortanden van de barman uit zijn mond slaat. Hij pleegt dan een
misdrijf (art. 300 Sr, verbod op mishandeling) en kan een procedure van het OM tegemoet
zien, plus een civielrechtelijke procedure van de barman, namelijk het vorderen van de
tandartsrekening als gevolg van de klap die de cafébezoeker uitdeelde. In de civielrechtelijke
procedure is dan conform art. 6:162 BW sprake van een onrechtmatige daad. Onrechtmatige
daad en een strafbaar feit moeten goed onderscheiden worden. Er zijn een aantal
belangrijke verschillen:
- De onrechtmatige daad heeft (als het gaat om een doen of nalaten in strijd met
wettelijke plichten) een veel groter bereik dan de plichten in het strafrecht, omdat
wettelijke plichten door het hele recht heen bestaan.
- De onrechtmatige daad verschilt in aard en regeling van de sanctie ten opzichte van
een strafbaar feit. De onrechtmatige daad heeft namelijk als sanctie de
schadevergoeding. Uitgangspunt van deze regeling is in beginsel dat de geleden
schade volledig ongedaan wordt gemaakt middels een schadevergoeding. Het
opleggen van een straf herstelt het onrecht niet en kan deze ook niet herstellen.
- De aansprakelijkheid van de onrechtmatige daad wordt uitsluitend bepaald door de
hoogte van de geleden schade (bijv. de tandartsrekening). Bij een strafbaar feit wordt
de hoogte van de straf door een groot aantal factoren bepaald (bijv. strafblad, mate
van de overtreding enz.).
Uit art. 6:162 BW blijkt dat er aan vier vereisten moet worden voldaan om bij de pleger van
een onrechtmatige daad een wettelijke verplichting tot schadevergoeding te doen ontstaan:
1. Onrechtmatigheid (de ‘onrechtmatige daad’ zelf, §9.2)
2. Toerekening aan de dader (‘welke hem kan worden toegerekend’, §9.3)
3. Causaal verband tussen de daad en de schade (‘dientengevolge’, §9.4)
4. Schade (§9.5)