Hoofdstuk 1 – Communicatie
Definitie: alle gedrag, verbaal en non-verbaal, in de aanwezigheid van anderen waarvan we ons
bewust zijn, is communicatie. Het is onmogelijk niet te communiceren in het bijzijn van anderen. Er
zijn drie redenen om te communiceren: lichamelijke, interpersoonlijke en maatschappelijke. Het
model 1.1 bevat alle elementen van communicatie: een zender en een ontvanger, ideeën die
vertaald als boodschappen door kanalen gaan in een situatie.
Elke boodschap heeft twee lagen: de inhoudelijke en de relationele. De inhoud is de letterlijke
betekenis. Het relationele houdt in: hoe de inhoud begrepen moet worden, hoe de zender zichzelf
ziet, hoe hij de relatie ziet en de ontvanger en hoe hij wil dat de ontvanger reageert. Relationele
aspecten drukken we meestal non-verbaal uit.
Bij het vertalen van ideeën in boodschappen en het terugvertalen van ontvangen boodschappen
gebeuren twee dingen: interne ruis en selectieprocessen. Er zijn drie soorten interne ruis. De eerste
is verward denken (onlogische gedachten, vaagheid). Dan is er psychologische ruis: vooroordelen en
stereotypieën. Ten slotte is er semantische ruis, als mensen verschillende talen of jargon gebruiken.
Een selectieproces houdt in dat de ontvanger wel iets uit de boodschap haalt. Hij filtert datgene wat
hij niet begrijpt en voegt daar iets anders aan toe. Er zijn zeven selectieprocessen:
1. Selectief uitzenden – de zender vertelt om de ander te plezieren of manipuleren.
2. Selectieve kennisname – de bewuste keuze om je open te stellen voor informatie die hun
eigen mening bevestigt of hun gevoel voor eigenwaarde versterkt.
3. Selectieve aandacht – warboel van signalen omzetten in informatie die je begrijpt.
4. Selectieve waarneming – betekenis geven aan binnenkomende informatie. (vel/slang/vet)
5. Selectief onthouden – informatie die je niet belangrijk vind, onthoud je niet.
6. Selectief aanvaarden – onwelkome feiten accepteren of afzwakken (rokers)
7. Selectief met anderen over dingen praten – je kan niet overal over praten.
Kanaalruis – de boodschap gaat via één of meer kanalen. Hoe meer kanalen tegelijk hoe beter de
boodschap wordt overgebracht. Kanaalruis omvat alle signalen van buitenaf die spreken, luisteren,
kijken of voelen verstoren.
De situatie is erg belangrijk bij communicatie: waar, in welke cultuur, wanneer, met wie en met
welke omstanders communiceer je?
Er zijn drie verschillende relationele communicatiepatronen:
- Complementair (gedrag vult dat van de ander aan)
- Symmetrisch (strijd om gelijke positie)
- Flexibel (wisselende rollen, meest gelijkwaardig en stabiel)
Regels bij communicatie die altijd van toepassing zijn:
- Houd de behoeften en persoonlijkheid van de ontvanger in gedachten, concentreer je niet
alleen op wat je probeert te communiceren.
- Let goed op wat de zender werkelijk uitzendt en richt je niet alleen op wat je horen wilt.
- Controleer telkens of je de ander werkelijk begrepen hebt.
Definitie: alle gedrag, verbaal en non-verbaal, in de aanwezigheid van anderen waarvan we ons
bewust zijn, is communicatie. Het is onmogelijk niet te communiceren in het bijzijn van anderen. Er
zijn drie redenen om te communiceren: lichamelijke, interpersoonlijke en maatschappelijke. Het
model 1.1 bevat alle elementen van communicatie: een zender en een ontvanger, ideeën die
vertaald als boodschappen door kanalen gaan in een situatie.
Elke boodschap heeft twee lagen: de inhoudelijke en de relationele. De inhoud is de letterlijke
betekenis. Het relationele houdt in: hoe de inhoud begrepen moet worden, hoe de zender zichzelf
ziet, hoe hij de relatie ziet en de ontvanger en hoe hij wil dat de ontvanger reageert. Relationele
aspecten drukken we meestal non-verbaal uit.
Bij het vertalen van ideeën in boodschappen en het terugvertalen van ontvangen boodschappen
gebeuren twee dingen: interne ruis en selectieprocessen. Er zijn drie soorten interne ruis. De eerste
is verward denken (onlogische gedachten, vaagheid). Dan is er psychologische ruis: vooroordelen en
stereotypieën. Ten slotte is er semantische ruis, als mensen verschillende talen of jargon gebruiken.
Een selectieproces houdt in dat de ontvanger wel iets uit de boodschap haalt. Hij filtert datgene wat
hij niet begrijpt en voegt daar iets anders aan toe. Er zijn zeven selectieprocessen:
1. Selectief uitzenden – de zender vertelt om de ander te plezieren of manipuleren.
2. Selectieve kennisname – de bewuste keuze om je open te stellen voor informatie die hun
eigen mening bevestigt of hun gevoel voor eigenwaarde versterkt.
3. Selectieve aandacht – warboel van signalen omzetten in informatie die je begrijpt.
4. Selectieve waarneming – betekenis geven aan binnenkomende informatie. (vel/slang/vet)
5. Selectief onthouden – informatie die je niet belangrijk vind, onthoud je niet.
6. Selectief aanvaarden – onwelkome feiten accepteren of afzwakken (rokers)
7. Selectief met anderen over dingen praten – je kan niet overal over praten.
Kanaalruis – de boodschap gaat via één of meer kanalen. Hoe meer kanalen tegelijk hoe beter de
boodschap wordt overgebracht. Kanaalruis omvat alle signalen van buitenaf die spreken, luisteren,
kijken of voelen verstoren.
De situatie is erg belangrijk bij communicatie: waar, in welke cultuur, wanneer, met wie en met
welke omstanders communiceer je?
Er zijn drie verschillende relationele communicatiepatronen:
- Complementair (gedrag vult dat van de ander aan)
- Symmetrisch (strijd om gelijke positie)
- Flexibel (wisselende rollen, meest gelijkwaardig en stabiel)
Regels bij communicatie die altijd van toepassing zijn:
- Houd de behoeften en persoonlijkheid van de ontvanger in gedachten, concentreer je niet
alleen op wat je probeert te communiceren.
- Let goed op wat de zender werkelijk uitzendt en richt je niet alleen op wat je horen wilt.
- Controleer telkens of je de ander werkelijk begrepen hebt.