Medisch rekenen
Concentratie
Met een concentratie wordt aangegeven welk gedeelte van stof A in stof B zit.
Voorbeeld 1:
100 liter lucht bevat ongeveer 78 liter zuurstof. De concentratie stikstof in de lucht is
78/100.
Dit noemen ze volume/volume.
Voorbeeld 2:
Fysiologisch zout is een oplossing van zout in gedestilleerd water. Een liter fysiologisch zout
bevat 9 gram opgelost zout. De concentratie NaCL in fysiologisch zout is 0,9%.
Dit noemen ze het aantal grammen per liter (= massa/volume)
Een concentratie van een oplossing is altijd een massa/volumeverhouding. In dit geval komt
een concentratie van 1% overeen met:
- 1 gram stof op 100 ml oplossing.
- 10 mg stof op 1 ml oplossing.
Internationale eenheden (= IE)
IE is niet het gewicht of het volume van een stof maar een hoeveelheid die de werking van
die stof aangeeft.
Voorbeeld 1:
In voorraad is 5 ml heparine met een sterkte van 5000 IE/ml. De arts schrijft 7500 IE
heparine voor. Hoeveel ml injecteer je?
IE 5000 2500 7500
ml 1 0,5 1,5
Het antwoord: 1,5 ml
Voorbeeld 2:
Insuline is verkrijgbaar in de concentratie van 100 IE per ml. Bij het injecteren gaat het altijd
om kleine hoeveelheden. Een patiënt moet 40 IE hebben. Hoeveel ml geef je?
IE 100 10 40
ml 1 0,1 0,4
Het antwoord: 0,4 ml
, Druppel gestuurd infuus
De regel is:
- 1 ml = 20 druppels
- Uitgezonderd bij bloed!! Dan geldt 1 ml = 18 druppels.
Voorbeeld 1:
In 4 uur moet 250 ml glucoseoplossing 5% worden toegediend. Hoe groot moet de
druppelsnelheid zijn?
250 ml = 250 x 20 druppels = 5000 druppels
Druppels 5000 1250 125 20,8
Tijd 4 uur 1 uur = 60 min 6 min 1 min
Antwoord: je stelt in op 21 druppels per minuut.
De volumetrische pomp stel je niet in op het aantal druppels, maar je stelt de
doorloopsnelheid in op het aantal ml per uur. Je rondt af op een heel getal.
Voorbeeld 2:
In 24 uur wordt 2000 ml isotonische zoutoplossing 0,9% toegediend. De oplossing zit in
zakken van 500 ml. Hoe groot is de doorloopsnelheid.
Aantal ml 2000 1000 500 250 83,33
Tijd (uur) 24 12 6 3 1
Antwoord: je stelt in op 83 ml per uur. In dit geval kun je ook direct rekenen 2000: 24 =
83,33
De spuitenpomp
De spuitenpomp is een volume gestuurd infuus dat ervoor zorgt dat je kleinere doseringen
heel precies worden toegediend. Stand 1 komt overeen met een doorloopsnelheid van 1 ml
per uur.
Sondevoeding
Bij sondevoeding wordt een vloeibare voeding rechtstreeks via een sonde in de maag
toegediend. Dit gebeurt meestal via een sondevoedingspomp. De pomp kan worden
ingesteld op een bepaalde doorstroomsnelheid in ml per uur.
Voorbeeld 1:
Meneer krijgt gedurende 4 uur 500 ml sondevoeding toegediend. Hoe moet de pomp
worden ingesteld?
Je rekent naar 1 uur toe: 500 (ml) : 4 = 125 ml.
Antwoord: je stelt de pomp in op 125 ml per uur.
Concentratie
Met een concentratie wordt aangegeven welk gedeelte van stof A in stof B zit.
Voorbeeld 1:
100 liter lucht bevat ongeveer 78 liter zuurstof. De concentratie stikstof in de lucht is
78/100.
Dit noemen ze volume/volume.
Voorbeeld 2:
Fysiologisch zout is een oplossing van zout in gedestilleerd water. Een liter fysiologisch zout
bevat 9 gram opgelost zout. De concentratie NaCL in fysiologisch zout is 0,9%.
Dit noemen ze het aantal grammen per liter (= massa/volume)
Een concentratie van een oplossing is altijd een massa/volumeverhouding. In dit geval komt
een concentratie van 1% overeen met:
- 1 gram stof op 100 ml oplossing.
- 10 mg stof op 1 ml oplossing.
Internationale eenheden (= IE)
IE is niet het gewicht of het volume van een stof maar een hoeveelheid die de werking van
die stof aangeeft.
Voorbeeld 1:
In voorraad is 5 ml heparine met een sterkte van 5000 IE/ml. De arts schrijft 7500 IE
heparine voor. Hoeveel ml injecteer je?
IE 5000 2500 7500
ml 1 0,5 1,5
Het antwoord: 1,5 ml
Voorbeeld 2:
Insuline is verkrijgbaar in de concentratie van 100 IE per ml. Bij het injecteren gaat het altijd
om kleine hoeveelheden. Een patiënt moet 40 IE hebben. Hoeveel ml geef je?
IE 100 10 40
ml 1 0,1 0,4
Het antwoord: 0,4 ml
, Druppel gestuurd infuus
De regel is:
- 1 ml = 20 druppels
- Uitgezonderd bij bloed!! Dan geldt 1 ml = 18 druppels.
Voorbeeld 1:
In 4 uur moet 250 ml glucoseoplossing 5% worden toegediend. Hoe groot moet de
druppelsnelheid zijn?
250 ml = 250 x 20 druppels = 5000 druppels
Druppels 5000 1250 125 20,8
Tijd 4 uur 1 uur = 60 min 6 min 1 min
Antwoord: je stelt in op 21 druppels per minuut.
De volumetrische pomp stel je niet in op het aantal druppels, maar je stelt de
doorloopsnelheid in op het aantal ml per uur. Je rondt af op een heel getal.
Voorbeeld 2:
In 24 uur wordt 2000 ml isotonische zoutoplossing 0,9% toegediend. De oplossing zit in
zakken van 500 ml. Hoe groot is de doorloopsnelheid.
Aantal ml 2000 1000 500 250 83,33
Tijd (uur) 24 12 6 3 1
Antwoord: je stelt in op 83 ml per uur. In dit geval kun je ook direct rekenen 2000: 24 =
83,33
De spuitenpomp
De spuitenpomp is een volume gestuurd infuus dat ervoor zorgt dat je kleinere doseringen
heel precies worden toegediend. Stand 1 komt overeen met een doorloopsnelheid van 1 ml
per uur.
Sondevoeding
Bij sondevoeding wordt een vloeibare voeding rechtstreeks via een sonde in de maag
toegediend. Dit gebeurt meestal via een sondevoedingspomp. De pomp kan worden
ingesteld op een bepaalde doorstroomsnelheid in ml per uur.
Voorbeeld 1:
Meneer krijgt gedurende 4 uur 500 ml sondevoeding toegediend. Hoe moet de pomp
worden ingesteld?
Je rekent naar 1 uur toe: 500 (ml) : 4 = 125 ml.
Antwoord: je stelt de pomp in op 125 ml per uur.