Natuurkunde hoofdstuk 4
Nettokracht = som van alle krachten bij elkaar.
Aan de nettokracht kun je zien of een voorwerp versnelt of vertraagt, ook wel resulterende
kracht genoemd.
Snelheid en de richting van een kracht hangen af van de eigenschappen van de kracht: de
grootte, de richting en het aangrijpingspunt.
Een kracht is altijd een wisselwerking tussen twee voorwerpen.
Omdat een kracht een grootte en een richting heeft, noem je een kracht een
vectorgrootheid, je tekent een kracht als een pijl.
De eenheid van kracht F is newton (N).
Veerkracht
Een elastiekje rek je uit door met jouw spierkracht Fspier aan beide kanten te trekken. Het
elastiekje trekt ook aan jouw handen, de veerkracht Fv. De veerkracht van een veer is
evenredig met de uitrekking u.
Fv = C · u
Spankracht
Doordat als je aan een touw hangt, het touw een beetje uitrekt, oefent het op jouw een
kracht naar boven uit, de spankracht Fs. De spankracht is overal in het touw even groot. Als
je stil hangt is de spankracht even groot als de zwaartekracht naar beneden.
Zwaartekracht
De aarde trekt aan elk voorwerp met de zwaartekracht Fz, waar dat voorwerp ook is. De
zwaartekracht is evenredig met de massa m en grijpt aan in het zwaartepunt van het
voorwerp.
Fz = m · g (g = 9,8 N/kg)
Normaalkracht
Als je op de grond staat, draagt de grond jou. De grond wordt in feite een beetje ingedrukt
door de gewichtskracht (gewicht) Fgewicht van jou op de grond. De grond duwt ook tegen je
schoenzolen naar boven, deze kracht wordt de normaalkracht Fn genoemd. De
normaalkracht op een voorwerp staat altijd loodrecht op de ondergrond.
Wrijvingskrachten
(vaak) Tegenwerkende krachten.
Schuifwrijving, luchtweerstand en rolweerstand.
Nettokracht = som van alle krachten bij elkaar.
Aan de nettokracht kun je zien of een voorwerp versnelt of vertraagt, ook wel resulterende
kracht genoemd.
Snelheid en de richting van een kracht hangen af van de eigenschappen van de kracht: de
grootte, de richting en het aangrijpingspunt.
Een kracht is altijd een wisselwerking tussen twee voorwerpen.
Omdat een kracht een grootte en een richting heeft, noem je een kracht een
vectorgrootheid, je tekent een kracht als een pijl.
De eenheid van kracht F is newton (N).
Veerkracht
Een elastiekje rek je uit door met jouw spierkracht Fspier aan beide kanten te trekken. Het
elastiekje trekt ook aan jouw handen, de veerkracht Fv. De veerkracht van een veer is
evenredig met de uitrekking u.
Fv = C · u
Spankracht
Doordat als je aan een touw hangt, het touw een beetje uitrekt, oefent het op jouw een
kracht naar boven uit, de spankracht Fs. De spankracht is overal in het touw even groot. Als
je stil hangt is de spankracht even groot als de zwaartekracht naar beneden.
Zwaartekracht
De aarde trekt aan elk voorwerp met de zwaartekracht Fz, waar dat voorwerp ook is. De
zwaartekracht is evenredig met de massa m en grijpt aan in het zwaartepunt van het
voorwerp.
Fz = m · g (g = 9,8 N/kg)
Normaalkracht
Als je op de grond staat, draagt de grond jou. De grond wordt in feite een beetje ingedrukt
door de gewichtskracht (gewicht) Fgewicht van jou op de grond. De grond duwt ook tegen je
schoenzolen naar boven, deze kracht wordt de normaalkracht Fn genoemd. De
normaalkracht op een voorwerp staat altijd loodrecht op de ondergrond.
Wrijvingskrachten
(vaak) Tegenwerkende krachten.
Schuifwrijving, luchtweerstand en rolweerstand.