Opgave 1
BV M heeft in 2010 BV D opgericht. BV D is een 100% dochter van BV M. Bij de oprichting heeft BV M
€ 2 miljoen kapitaal in BV D gestort. Na de oprichting heeft BV D verliezen gemaakt. Om BV D weer
winstgevend te maken wil men een nieuw product lanceren. Hiervoor moet de fabriek (in eigendom
van BV D) worden aangepast. Uit een test met proefpersonen blijkt dat het product aanslaat. BV M
verwacht dan ook dat na verbouwing van de fabriek de afzet van het product zal stijgen. Om de
verbouwing van de fabriek te financieren zal BV M een lening verstrekken aan BV D. De lening heeft
als voorwaarde dat geen rente is bedongen, geen terugbetalingsverplichting aanwezig is en geen
zekerheid is bedongen.
- Hoe zal fiscaal met deze lening worden omgegaan?
Stel dat het product niet aanslaat en BV M de lening wil afwaarderen.
- Kan de afwaardering ten laste van de winst worden gebracht? Waarom?
Stel dat BV M vanaf het moment dat de lening wordt verstrekt weet dat deze niet zal worden
terugbetaald.
- Hoe zal fiscaal met deze lening worden omgegaan?
- Kan de afwaardering ten laste van de winst worden gebracht? Waarom?
EV: vergoeding winstafhankelijk, zonder terugbetalingsverplichting, achtergesteld
VV: 7A:1791 BW -> civielrechtelijke vorm van lening wordt gevolgd, tenzij..
kenmerken: vergoeding betalen als rente, concurrente schuldpositie.
HR: hoofdregel = civielrechtelijke vorm bepalen -> in casu geen
terugbetalingsverplichting -> geen lening, maar EV -> lening kan niet worden
afgewaardeerd -> vergoeding op ‘lening’ is dividend en dus niet aftrekbaar.
- In de lening is geen terugbetalingsverplichting opgenomen, is geen rente bedongen en is
ook geen zekerheid bedongen. De ‘lening’ wordt gepresenteerd als een lening en dus
wellicht VV, maar is het in feite niet omdat er geen terugbetalingsverplichting is opgenomen.
De lening wordt fiscaal gekwalificeerd als Eigen Vermogen. Het geldbedrag wordt
beschouwd de onderneming van M definitief te hebben verlaten.
- De lening van M aan D vergroot de deelneming van M in D. De afwaardering van de lening
kan niet ten laste van de winst van BV M worden gebracht. Zie in dit kader ook het arrest van
de HR 2008/131 voor een soortgelijke casus. De HR achtte dat de vordering niet kon worden
afgewaardeerd omdat er geen o.a. terugbetalingsverplichting was en er geen zekerheden
waren gesteld. Volgens de HR moet gekeken worden naar het risico! Het is civiel juridisch
wel een lening maar afwaarderen is niet mogelijk omdat het een risico is dat je als
aandeelhouder op je hebt genomen!
De geldverstrekking wordt civielrechtelijk niet als lening gezien. Dus je komt niet aan
de uitzonderingen van het Unileverarrest -> het is fiscaal gewoon EV! Omdat het
civielrechtelijk geen lening is, kom je ook niet bij de herkwalificaties
Stel er was wel een terugbetalingsverplichting, maar geen zekerheid en geen rente ->
dan civielrechtelijk wel lening en dan kon je wel kijken naar 3 uitzonderingen van HR
(bodemloze put, schijnlening, deelnemerschapslening)