Aantekeningen H6:
De structuur van biomembranen beschrijven.
8nm dikke film die de cel inhoud scheidt van de omgeving
Controleert uitwisseling van stoffen de cel in en de cel uit
Amfipatisch = hydrofiel deel en hydrofoob deel
Het plasmamembraan is semipermeabel:
- Hydrofobe moleculen (koolwaterstoffen, CO2, O2): kunnen de membraan passeren, omdat ze in de lipide bilaag
kunnen oplossen
- Hydrofiele moleculen (ionen, H2O, suikers): kunnen heel langzaam de membraan passeren (lading werkt tegen,
watermantel ook)
Oplossing voor opname van nutriënten: Transport eiwitten:
´channel´ eiwitten (hydrofiele kanalen)
´carrier´ eiwitten (vormverandering)
Vorm vloeiend mozaïek model:
- Vloeiend fosfolipiden
- Mozaïek eiwitten in membraan
Samenstelling:
- Fosfolipiden:
amfipatisch molecuul
Spontane vorming van bilaag (hydrofobe interacties)
Met onverzadigd vetzuur keten: meer vloeiend
Verzadigd vetzuur keten: meer rigide
Bij kamer temp.: membraan meer vloeiend
Bij lagere temp.: membraan rigide
- Cholesterol (steroïde):
Zit tussen vetzuurketens van fosfolipiden
Tegenovergesteld temperatuur effect (bufferend)
Bij kamer temp.: membraan rigide
Bij lagere temp.: membraan meer vloeiend
Waarom:
Cholesterol beperkt beweging fosfolipiden (bij KT)
Cholesterol verstoort de lipide “packing” (lage temp)
- Eiwitten:
Integrale eiwitten (in het membraan gestoken) zijn amfipatisch
Perifere eiwitten (in buurt membraan, vaak interactie met integrale eiwitten)
Eiwitten zitten gedeeltelijk in het membraan of steken er volledig doorheen (transmembraan eiwit)
Geven het membraan z’n functie.
Werkvolgorde:
De structuur van biomembranen beschrijven.
8nm dikke film die de cel inhoud scheidt van de omgeving
Controleert uitwisseling van stoffen de cel in en de cel uit
Amfipatisch = hydrofiel deel en hydrofoob deel
Het plasmamembraan is semipermeabel:
- Hydrofobe moleculen (koolwaterstoffen, CO2, O2): kunnen de membraan passeren, omdat ze in de lipide bilaag
kunnen oplossen
- Hydrofiele moleculen (ionen, H2O, suikers): kunnen heel langzaam de membraan passeren (lading werkt tegen,
watermantel ook)
Oplossing voor opname van nutriënten: Transport eiwitten:
´channel´ eiwitten (hydrofiele kanalen)
´carrier´ eiwitten (vormverandering)
Vorm vloeiend mozaïek model:
- Vloeiend fosfolipiden
- Mozaïek eiwitten in membraan
Samenstelling:
- Fosfolipiden:
amfipatisch molecuul
Spontane vorming van bilaag (hydrofobe interacties)
Met onverzadigd vetzuur keten: meer vloeiend
Verzadigd vetzuur keten: meer rigide
Bij kamer temp.: membraan meer vloeiend
Bij lagere temp.: membraan rigide
- Cholesterol (steroïde):
Zit tussen vetzuurketens van fosfolipiden
Tegenovergesteld temperatuur effect (bufferend)
Bij kamer temp.: membraan rigide
Bij lagere temp.: membraan meer vloeiend
Waarom:
Cholesterol beperkt beweging fosfolipiden (bij KT)
Cholesterol verstoort de lipide “packing” (lage temp)
- Eiwitten:
Integrale eiwitten (in het membraan gestoken) zijn amfipatisch
Perifere eiwitten (in buurt membraan, vaak interactie met integrale eiwitten)
Eiwitten zitten gedeeltelijk in het membraan of steken er volledig doorheen (transmembraan eiwit)
Geven het membraan z’n functie.
Werkvolgorde: