Zwaartekracht: Fz (werklijn)
- de kracht heeft een aangrijpingspunt op het LZP. Deze trekt met 9,81 m/s naar de
kern van de aarde. Fz = massa x 9,81
Lichaamszwaartepunt: LZP, bevindt zich iets onder de navel in een anatomische houding.
Om in balans te zijn moet het LZP boven het steunvlak zijn.
Deelzwaartepunt: DZP
- hoofd
- Hoofd + romp
- Hoofd + armen + romp
- Armen + benen
Sagitale vlak kijkt naar de transversale as (links rechts)
Transversale vlak kijkt naar de longitudinale as (boven onder)
Frontaal vlak kijkt naar sagittale as (voor achter)
Dorsaal: richting de rug
Ventraal: richting buik
Craniaal: richting hoofd
Cuadaal: richting stuitje
Mediaal/proximaal: binnen
Distaal: buiten
Hoe verder massa is van het rotatiepunt hoe meer kracht er nodig is om tegen de
zwaartekracht in te roteren. (Hefboom effect)
Moment geleverd door de zwaartekracht: het effect van een kracht. Dit is altijd een
beweging om een draai as.
- dit effect is afhankelijk van de grootte van een kracht maar ook de grootte van de
momentsarm (hefboom). M (in Nm, newton meter)= F (in newton) x d (in meter)
- Hoe groter het moment hoe makkelijker er beweging kan optreden.
- M(Fz)= Fz x momentsarm van Fz
Grote momentsarm => zwaarder.
Kleine momentsarm=> lichter
Mfspier= Fspier x momentsarm van de Fspier
Als M(fz) > M(spier) excentrische contractie. (Verlengen)
Als M(fz) < M(spier) concentrische contractie (verkorten)
Als M(fz) = M(fspier) statische contractie
- de kracht heeft een aangrijpingspunt op het LZP. Deze trekt met 9,81 m/s naar de
kern van de aarde. Fz = massa x 9,81
Lichaamszwaartepunt: LZP, bevindt zich iets onder de navel in een anatomische houding.
Om in balans te zijn moet het LZP boven het steunvlak zijn.
Deelzwaartepunt: DZP
- hoofd
- Hoofd + romp
- Hoofd + armen + romp
- Armen + benen
Sagitale vlak kijkt naar de transversale as (links rechts)
Transversale vlak kijkt naar de longitudinale as (boven onder)
Frontaal vlak kijkt naar sagittale as (voor achter)
Dorsaal: richting de rug
Ventraal: richting buik
Craniaal: richting hoofd
Cuadaal: richting stuitje
Mediaal/proximaal: binnen
Distaal: buiten
Hoe verder massa is van het rotatiepunt hoe meer kracht er nodig is om tegen de
zwaartekracht in te roteren. (Hefboom effect)
Moment geleverd door de zwaartekracht: het effect van een kracht. Dit is altijd een
beweging om een draai as.
- dit effect is afhankelijk van de grootte van een kracht maar ook de grootte van de
momentsarm (hefboom). M (in Nm, newton meter)= F (in newton) x d (in meter)
- Hoe groter het moment hoe makkelijker er beweging kan optreden.
- M(Fz)= Fz x momentsarm van Fz
Grote momentsarm => zwaarder.
Kleine momentsarm=> lichter
Mfspier= Fspier x momentsarm van de Fspier
Als M(fz) > M(spier) excentrische contractie. (Verlengen)
Als M(fz) < M(spier) concentrische contractie (verkorten)
Als M(fz) = M(fspier) statische contractie