Massa: Er zijn veel mensen op dezelfde plaats en tijd
Elite: Een kleine groep van de bevolking die zichzelf een hoger beschavingspeil toedicht, en
zich denkt te mogen onderscheiden van de rest
Publiek: de verzameling van alle publieksgroepen. Publiek is heterogeen en heeft geen vaste
samenstelling
Doelgroep: Geselecteerde groep consumenten, beslissers of bedrijven die een zender gericht
wil benaderen
Publieksgroep: Iedere verzameling van burgers, consumenten of organisaties die voor een
zender belangrijk zijn
Publieke opinie: een steeds veranderend geheel van gemeenschappelijk gedeelde meningen
en stemmingen van steeds wisselende publieksgroepen
Coderen: het gebruiken van tekens om vorm en inhoud van een mediaboodschap
Decoderen: het ontcijferen van tekens uit een mediaboodschap
Tekensoorten:
Signalen en symptomen
Iconen
Indices
Symbolen
De vier aspecten van de boodschap:
1. Het referentiële aspect
2. Het expressieve aspect
3. Het relationele aspect
4. Het appèlerende aspect
Denotatie: Wat iets letterlijk is
Connotatie: Wat de associatie bij iets is
Framing: Berichten uit de media die maar een deel van de werkelijkheid laten zien, die
bepaald worden door journalisten
Labelling: Woorden en beelden uit berichten krijgen een bepaalde sociale en emotionele
lading mee
Aperte bewering: een bewering die heel stellig van aard is. Ze kunnen zowel negatief als
positief bedoeld zijn
Brandwagoneffect: Er wordt op de ontvanger een emotioneel beroep gedaan om een
bepaalde partij te gaan steunen. Dit effect wordt vaak gebruikt tijdens de politieke
verkiezingstijd
Zondebokmechanisme: Je stelt een persoon of groep verantwoordelijk voor een vervelende
situatie waarin je terecht bent gekomen
Fundamenteel wetenschappelijk onderzoek: Hiermee onderzoek je de algemene kennis van
de werkelijkheid vergroten.
Praktijkgericht onderzoek: Dit onderzoek doe je om een praktisch probleem op te lossen
Metavragen: Gaan over het verwoorden van je vooronderstellingen en invalshoeken
Validiteit: Heeft te maken met de vraag of verschillende onderzoeken naar kijk en
luistergedrag ook daadwerkelijk meten wat ze moeten meten
Theorieën: Systematisch geordende uitspraken en regels om de werkelijkheid te kunnen
beschrijven, verklaren en voorspellen
Interactiviteit: Wederzijds op elkaar afgestemd handelen
, One-step-flow-theory: De zender injecteert de passieve media zo direct en schiet met de
boodschap zo hard op het publiek dat er maar 1 reactie mogelijk is
Demonisering: een politicus wordt via de media monddood gemaakt door een duivels beeld
van hem op te roepen
Opinieleiders: Goed geïnformeerde mensen die meer en beter gebruik leken te maken van
krant en radio en deze informatie doorgaven aan hun bekenden
Influentials: Invloedrijke adviseurs in de interpersoonlijke communicatie, die berichten
doorgeven aan mensen in hun sociale omgeving en hen daarbij voorzien van een mening,
advies of waarschuwing
Multi-step-flow: Er zijn meerdere communicatiestromen mogelijk tussen zender,
opinieleider en publieksgroepen
Zwamvlok: Een in de grond verbogen gedeelte van de paddenstoel Ook wel het
ondergrondse deel van de media
Zwamvlokmodel: wordt ook wel netwerkmodel genoemd
Uses and gratifications: Nut en beloningen. Onderzoek naar motieven om ergens naar te
kijken of te luisteren. Dit soort onderzoeken zijn meestal kwantitatief van aard
Big Data: De hoeveelheid digitale gegevens
Agenda-setting: In dit onderzoek staat de relatie tussen de media-agenda en de
ontvangersagenda centraal.
Media-agenda: betreft de onderwerpkeuze en bevat de nieuwsberichten die zijn
geselecteerd door de persbureaus
Ontvangersagenda: betreft de onderwerpen waar de ontvangers over praten
3 soorten ontvangersagenda’s:
1. De intrapersoonlijke agenda: de onderwerpen die de ontvanger zelf belangrijk vindt
2. De interpersoonlijke agenda: de onderwerpen die de ontvanger met anderen bespreekt
3. De gemeenschapsagenda: de onderwerpen die in de gemeenschap van de ontvanger
belangrijk zijn
Priming: bewust het ene aspect van een onderwerp vaker laten zien, om herkenning te
bevorderen en associaties te laten ontstaan
Framing: Journalisten maken keuzes bij hun selectie en presentatie van de media-inhoud. De
wijze van presenteren van een onderwerp wordt ook wel frame genoemd
Agenda-setting eerste niveau: Media bepalen over welke issue jij praat
Agenda-setting tweede niveau: media bepalen door de frames die ze gebruiken hoe jij over
een issue denkt
Agendavorming/agendabuilding: Het vormen van de beleidsagenda van een organisatie door
ervoor te zorgen dat een bepaald onderwerp of issue op de media-agenda komt
Intermedia agenda-setting: het mediaonderzoek naar de wisselwerking tussen agenda’s van
verschillende media
Mediawijsheid: Het veelzijdig en slim gebruiken van alle beschikbare analoge en digitale
media om optimaal te kunnen deelnemen aan de wereld om je heen
Kenniskloof: de kloof tussen kennisarmen en mediawijze kennisrijken die steeds groter
wordt
Digitale kloof: Wanneer een bepaalde groep mensen slecht met internet overweg kan,
terwijl andere mensen dat wel gemakkelijk kunnen
Zware kijkers: kijkers van televisie die langer dan 4 uur per dag televisie kijken
Cultivatietheorie: Verband tussen kijktijd en wereldbeeld. Gaat ervan uit dat wat wij in de
media zien, bepaalt wat voor wereldbeeld wij hebben.