,INHOUDSOPGAVE
AFP.................................................................................................................................................................. 4
HOOFD HALS: COAFP1 –ENDOCRINOLOGIE ......................................................................................................................... 4
BOTSTRUCTUREN IN HET HOOFD- EN HALSGEBIED.................................................................................................................. 9
ZELFSTUDIETAAK AFP 1 – ENDOCRINOLOGIE ...................................................................................................................... 14
CT.................................................................................................................................................................. 21
HH PRCT1 .................................................................................................................................................................. 21
HH ZELFSTUDIE PRCT1 .................................................................................................................................................. 22
CT LITERATUUR ............................................................................................................................................................ 26
ECHO ............................................................................................................................................................. 30
BASISPRINCIPES VAN DOPPLER ........................................................................................................................................ 30
BEELDVORMENDE TECHNIEKEN BIJ DVT EN LONGEMBOLIE .................................................................................................... 35
HH – H8 VENEUS VAATONDERZOEK ................................................................................................................................. 39
HH PREC2 .................................................................................................................................................................. 41
HH ZELFSTUDIE ECHO DOPPLER ....................................................................................................................................... 42
ZELFSTUDIE ECHOGRAFIE VAN DE SCHILDKLIER .................................................................................................................... 44
MRI ............................................................................................................................................................... 46
HH WCMRI1 .............................................................................................................................................................. 46
MRI LITERATUUR.......................................................................................................................................................... 54
NG ................................................................................................................................................................. 71
HH CONG1 SCHILDKLIERSCINTIGRAFIE ............................................................................................................................. 71
HH: PRNG1................................................................................................................................................................ 79
LITERATUUR HH: H19.2.1-2.4 EN H24.6.1-6.2 .............................................................................................................. 82
HOOFDHALS NG ZELFSTUDIE: THERAPIE VOOR SCHILDKLIERPATHOLOGIE ................................................................................. 90
RD ................................................................................................................................................................. 92
RD CERVICALE WERVELKOLOM ........................................................................................................................................ 92
HH PRRD1.................................................................................................................................................................. 99
VOORBEREIDING CASUS PRACTICUM RD1......................................................................................................................... 102
2
,RT................................................................................................................................................................ 105
HH PRRT1 ................................................................................................................................................................ 105
ZELFSTUDIE RT: BEHANDELMETHODE BIJ HOOFDHALSKANKER.............................................................................................. 106
ZELFSTUDIE RT: ONCOLOGIE HOOFDHALS-GEBIED ............................................................................................................. 112
PO ............................................................................................................................................................... 115
HH COPO1 ............................................................................................................................................................... 115
3
, AFP
HOOFD HALS: COAFP1 –ENDOCRINOLOGIE
HOMEOSTASE
• Regeling en handhaving van constant intern milieu → zorgen voor bepaald evenwicht in het lichaam
• Verstoring: stress
o Bijvoorbeeld: schrik (fight/flight)/ kou
• Nodig: communicatie tussen cellen
• Twee reguleringssystemen:
1. Zenuwstelsel → snel + kort
2. Hormoon (endocriene) → langzamer + lang
• Beïnvloeding gebeurt door:
o Aanzetting (stimulatie)
o Remming (inhibitie)
WERKING:
• Beide stelsels: afgifte stoffen die specifiek binden aan doelcellen
• Zenuwstelsel: neurotransmitters
• Hormoonstelsel: hormonen
• (Nor)adrenaline: hormoon en neurotransmitter (komt in hormoon-
en zenuwstelsel voor)
• Welke organen maken hormonen aan: hart maakt bijvoorbeeld
naturetisch peptide voor de bloeddruk en nog veel andere organen
zoals de schildklier of de bijnieren, deze twee zijn
hormoonproducerende organen.
HORMONEN
• Er zijn verschillende soorten hormonen, met allemaal verschillende
mechanismes
• Hormonen hebben op verschillende plekken effecten → aspecifiek (t.o.v.
zenuwen) → maar wel verschillende sleutel-slot principes
• Chemische signaalstoffen
o Vervoerd door de bloedbaan
o Komen terecht bij doelcellen met specifieke receptoren voor
specifiek hormoon
STRUCTUUR VAN HORMONEN
• Drie typen hormonen
o Aminozuurderivaten
▪ Klein en lijken op aminozuren
o Peptidehormonen
▪ Ketens van aminozuren → activeren G-eiwit
o Vetderivaten
▪ Steroïden, lijken op cholesterol → niet oplosbaar in water, transport nodig
4
, Figuur 2 Peptidehormoon Figuur 1 Schildklierhormoon
• Schildklierhormoon kan direct zijn doel bereiken, geen verschillende stappen nodig
• Hoe weet een klier nu of er een hormoon is?
o Soms door concentraties bepaalde stoffen in bijvoorbeeld bloed
• Algemeen: zenuw- en hormoonstelsel werken nauw samen
• Hypothalamus staat daarbij centraal:
o Ontvangt impulsen van het zenuwstelsel uit het hele lichaam
o Reageert door impulsen naar hypofyse te sturen
o Hypofyse is een hormoonklier
ENDOCRIENE SYSTEEM
• Bestaat uit de hypothalamus en de hypofyse
ENDOCRIENE SYSTEEM – HYPOFYSE
• Hypofyse maakt zelf hormonen aan en geeft hormonen af die in de hypothalamus zijn aangemaakt.
• De hypofyse geeft 9 hormonen af:
o Voorkwab: ACTH, TSH, GH, PRL, FSH, LH, MSH
o Achterkwab: Oxytocine en ADH
• Gelegen in sella turcica (os sphenoid)
• De hypofyse bestaat uit twee delen:
o Hypofysevoorkwab (adenohypofyse)
▪ Maakt en geeft hormonen af onder invloed van
hypothalamus
▪ Endocriene cellen omgeven door capillairnetwerk
▪ Poortadersysteem
o Hypofyseachterkwab (neurohypofyse)
▪ Geeft hormonen af die gemaakt zijn in de
hypothalamus, het maakt zelf geen hormonen
▪ ADH (anti-plashormoon) en oxytocine (knuffelhormoon)
• Hypothalamus stuurt hypofyse aan → hypofyse stuurt schildklier aan
• Bij hypofysetumor → probleem met GH en de ovaria bij de vrouw → bv: te veel aanmaak: veel groeien
of te weinig aanmaak: niet groeien (afhankelijk van soort tumor)
5
, • Voor de MBB’er van belang
o Hypofyse
o Pancreas
o Schildklier
o Bijnieren
SCHILDKLIER (GLANDULA THYROIDEA)
• Stimuleert stofwisseling en groei
• TSH (thyroïdstimulerend hormoon) uit hypofyse → afgifte
schildklierhormoon
• Te kort TSH → onvoldoende schildklierhormoon
• Follikels:
o Vormen thyroid- of schildklierhormonen
• Stoffen die aangemaakt worden door de schilklier:
o T4: thyroxine 90% (thyrosine met 4 jodiumatomen)
o T3: tri-joodthyronine 10% (thyrosine met 3 jodiumatomen)
▪ Krachtiger
▪ T3 veel actiever dan T4
• Jodium is nodig voor een goedwerkende schildklier → toegevoegd aan zout
• Schildklierhormonen passeren makkelijk door celmembranen en beïnvloeden
bijna alle cellen in het lichaam
• Binding aan mitochondriën zorgt voor ATP-productie welke de
stofwisselingssnelheid en zuurstofverbruik laat toenemen
• Calorigene effect
o Zorgt dat er energie vrijkomt voor werking van de cel
• Schildklier heeft primair een positieve beïnvloeding op de activiteit op het
vrijmaken van energie die nodig is voor de werking van de cel
• Noodzakelijk voor normale ontwikkeling van beenderstelsel, spierstelsel en
zenuwstelsel (calciumhuishouding)
C-CELLEN
• Calcitonine wordt afgegeven door C-cellen (parafolliculaire cellen)
• Het kan zijn dat er te veel of te weinig calcium in het bloed zit → dit
wordt geregistreerd door de (bij)schildklier →
o Bij te veel calcium → registratie door schildklier → meer
calcium wordt uitgescheiden via urine en meer calcium
wordt opgenomen in de botten → calciumconcentratie
daalt → homeostase
o Bij te weinig calcium → registratie door bijschildklier →
parathyroïdhormoon (PTH) wordt afgegeven → minder
calcium uitgescheiden en minder opgenomen in botten →
meer calcium in het bloed → homeostase
6
,PATHOLOGIE SCHILDKLIER
• Verstoring schildklierfunctie:
o Stofwisselingsstoornissen
o Verstoring TSH-productie
o Te kort jodium (zit in schildklierhormonen)
STRUMA
o Vergrootte schildklier
o Kan zowel bij hyper- als hypothyreoïdie
o Schildklier maakt zichzelf groter, omdat hij niet zoveel T3 en T4 kan maken
o Geeft slik- of ademhalingsproblemen
ZIEKTE VAN GRAVES
o Te veel schildklierhormoon
o Te veel energie en uitpuilende ogen
o Behandeling met radioactief jodium → nadeel: er gaat soms te veel
schildklier dood → slikken schildklierhormoon
BIJNIER (GLANDULA SUPRARENALES)
• Suprarenale cortex (bijnierschors)
o Staat onder invloed van hypofyse via ACTH
▪ ACTH → adrenocorticotroop hormoon (bijnierstimulerend
hormoon)
• Suprarenale medulla (bijniermerg)
o Staat onder invloed van zenuwstelsel
BIJNIERSCHORS
• > 20 corticosteroïden → beïnvloeden stofwisseling in veel verschillende weefsels
o Cortisol (stresshormoon): stress → onder andere bloedsuikerspiegel ↑
(kans op diabetes), immuunsysteem onderdrukt
o Aldosteron → bloeddrukregulatie en waterzoutretentie, vasthouden water
• (Geslachtshormonen; testosteron, oestrogeen, progesteron)
• Glucocorticoïden (GCs): cortisol, corticosteron, cortison
• Stijging glucose Spiegel, anti-infammatoire effecten – onderdrukking
afweersysteem)
BIJNIERMERG
• Adrenaline/noradrenaline → vecht-vlucht
ADRENALINE
• Ad = bij, ren = nier
• Hormoon (bijniermerg) en neurotransmitter (sympathische zenuwbanen)
• Komt vrij bij angst en stress, maar ook bij woede, kou, hitte, pijn en fysieke arbeid
• Potentieel schadelijk en verslavend
• Zorgt ervoor dat de bloeddruk stijgt en vergroot de prikkelbaarheid van het hart
7
,NORADRENALINE
• Neurotransmitter (sympatische zenuwbanen) en hormoon (bijniermerg)
• Als hormoon vergelijkbare effecten als adrenaline
• Als neurotransmitter:
o Te veel → euforisch, gespannen, angstig of opgewonden
o Te weinig → depressief
AANDOENINGEN BIJNIER (GLANDULA SUPRARENALES)
SYNDROOM VAN CUSHING
o Te veel ACTH
o Overmaat corticosteroïden
o Onder andere hyperglycemie en gewichtstoename
TUMOR IN MERG (FEOCHROMOCYTOOM)
o Produceert (nor)adrenaline
o Te actieve bijnier
o Hoge bloeddruk, hoofdpijn, hartkloppingen
o CT/MRI essentieel voor detectie en lokalisatie
8
, BOTSTRUCTUREN IN HET HOOFD- EN HALSGEBIED
Neurocranium = hersenpan
Viscerocranium = aangezichtsbeenderen
NEUROCRANIUM
• Gepaarde beenderen
o Os temporale →B
o Os pariëtale →A
• Ongepaarde beenderen
o Os frontale →C
o Os sphenoidale → D
o Os occipitale →E
• Protuberantie occipitalis →8
• Arcus zygomatiscus → 22
• Sutura coronalis →6
• Sutura sagittalis →5
• Bregma
• Sutura lamdoidea →4
• Foramen parietale →2
VISCEROCRANIUM
• Orbita
9
, • Maxilla
Caput mandibulae
Procecessus
coronoideus
Processus condylaris
BASIS CRANII INTERNA
10