Hoofdstuk 6.
Domesticatie:
Getemde dieren en aangepast aan de wensen van de mens, kunnen niet meer in het wild overleven,
voortplanting wordt door mensen bepaald.
-Mannelijk voortplantingselsel.
Functie: Productie geslachtshormonen, zaadpruductie, inbrengen van zaadcellen in het vrouwelijk
geslachtsapparaat.
Bouw:
Testikels: Ontstaan in de buurt van de nier, vlak voor/na de geboorte dalen ze in tot in het scrotum,
functioneert beter bij lagere temperatuur, bestaan uit sterk kronkelende buisjes, zaadproductie,
zaadcellen bestaan uit een kern en een zweepstaart (in de kern zit erfelijk matteriaal).
Functie: Aanmaak testosteron (tussen de zaadbuisjes liggen de hormoonproducerende cellen
"de leydigcellen"), ontwikkeling van secundaire geslachtskenmerken (grotere grovere bouw, bespiering
en gedrag).
Bijballen (epididymis): Ligt als een lange structuur naast de testikel, gekronkeld buizenstelsel, opslag
zaadcellen, komt uit in de ductus epididymis.
Zaadleider: Vanuit de ductus epididymis worden de zaadcellen getransporteerd naar de zaadleider. Deze
loopt via het lieskanaal naar de plasbuis. bij een zaadlozing zorgen de spieren in de wand van de
zaadleider dat de zaadcellen worden voortgestuwd naar de plasbuis.
Geslachtsklieren (prostaat): Ligt langs de plasbuis, produceert veel ejaculatievloeistof (bevat voeding
voor de zaadcellen).
Plasbuis: Loopt van de blaas naar de penis, zaadleider mond net uit na de blaas, voert zowel sperma als
urine af.
Penis: Bestaat uit zwellichaam omgeven door bindweefsel, zwelweefsel met zeer veel bloedvaten, bij
erectie vult het zwellichaam zich met bloed, wordt na zaadlozing snel weer kleiner, bij een reu is er een
penisbotje, de kater heeft onder invloed van testosteron kleine haakjes (gecastreerde katers hebben een
gladde penis).
Voorhuid (preputium): In niet-uitgeschachte toestand hangt de penis ter bescherming in een huidpooi
(voorhuid), is aan de binnenkant bekleed met slijmvlies.
-Vrouwelijk voortplantingstelsel.
Bouw:
Eierstokken: Liggen links en rechts in de buikholte bij de nieren, hangen aan een ophangbandje gemaakt
van buikvlies (daar ligt een ader en een slagader), opslagplek voor eicellen, ze worden geproduceerd
voor de geboorte, productie progesteron en oesterogeen.
Oesterogeen: Loopsheid/Krolsheid.
Progesteron: Innesteling van evt. bevruchting.
Hypofyse: Productie FSH (follikel stimulerend hormoon).
Follikels: Zorgen dat het ovarium een wat onregelmatige vorm heeft, bij openbarsten komt de
eicel vrij.
Eileiders: Eén uiteinde mond uit in de baarmoeder, andere los om het eierstok heen gestulpt, via eileider
komt de eicel in de baarmoeder terecht, binnenwand bevat kleine bewegende haartjes (transport eicel).
Vagina: Verbinding tussen baarmoedermond en de buitenwereld, urineweg en voortplantingstelsel komt
hier samen, bekleed met slijmvlies, vaginawand bevat slijmklieren, loopt met een knik omhoog (bij een
hond).
Vulva: Bestaat uit 2 lippen, buitenkant is bekleed met huid, binnenkant is bekleed met een dikke
slijmvlieslaag, blijft gesloten door het dikke elastisch onderhuids bindweefsel.
Domesticatie:
Getemde dieren en aangepast aan de wensen van de mens, kunnen niet meer in het wild overleven,
voortplanting wordt door mensen bepaald.
-Mannelijk voortplantingselsel.
Functie: Productie geslachtshormonen, zaadpruductie, inbrengen van zaadcellen in het vrouwelijk
geslachtsapparaat.
Bouw:
Testikels: Ontstaan in de buurt van de nier, vlak voor/na de geboorte dalen ze in tot in het scrotum,
functioneert beter bij lagere temperatuur, bestaan uit sterk kronkelende buisjes, zaadproductie,
zaadcellen bestaan uit een kern en een zweepstaart (in de kern zit erfelijk matteriaal).
Functie: Aanmaak testosteron (tussen de zaadbuisjes liggen de hormoonproducerende cellen
"de leydigcellen"), ontwikkeling van secundaire geslachtskenmerken (grotere grovere bouw, bespiering
en gedrag).
Bijballen (epididymis): Ligt als een lange structuur naast de testikel, gekronkeld buizenstelsel, opslag
zaadcellen, komt uit in de ductus epididymis.
Zaadleider: Vanuit de ductus epididymis worden de zaadcellen getransporteerd naar de zaadleider. Deze
loopt via het lieskanaal naar de plasbuis. bij een zaadlozing zorgen de spieren in de wand van de
zaadleider dat de zaadcellen worden voortgestuwd naar de plasbuis.
Geslachtsklieren (prostaat): Ligt langs de plasbuis, produceert veel ejaculatievloeistof (bevat voeding
voor de zaadcellen).
Plasbuis: Loopt van de blaas naar de penis, zaadleider mond net uit na de blaas, voert zowel sperma als
urine af.
Penis: Bestaat uit zwellichaam omgeven door bindweefsel, zwelweefsel met zeer veel bloedvaten, bij
erectie vult het zwellichaam zich met bloed, wordt na zaadlozing snel weer kleiner, bij een reu is er een
penisbotje, de kater heeft onder invloed van testosteron kleine haakjes (gecastreerde katers hebben een
gladde penis).
Voorhuid (preputium): In niet-uitgeschachte toestand hangt de penis ter bescherming in een huidpooi
(voorhuid), is aan de binnenkant bekleed met slijmvlies.
-Vrouwelijk voortplantingstelsel.
Bouw:
Eierstokken: Liggen links en rechts in de buikholte bij de nieren, hangen aan een ophangbandje gemaakt
van buikvlies (daar ligt een ader en een slagader), opslagplek voor eicellen, ze worden geproduceerd
voor de geboorte, productie progesteron en oesterogeen.
Oesterogeen: Loopsheid/Krolsheid.
Progesteron: Innesteling van evt. bevruchting.
Hypofyse: Productie FSH (follikel stimulerend hormoon).
Follikels: Zorgen dat het ovarium een wat onregelmatige vorm heeft, bij openbarsten komt de
eicel vrij.
Eileiders: Eén uiteinde mond uit in de baarmoeder, andere los om het eierstok heen gestulpt, via eileider
komt de eicel in de baarmoeder terecht, binnenwand bevat kleine bewegende haartjes (transport eicel).
Vagina: Verbinding tussen baarmoedermond en de buitenwereld, urineweg en voortplantingstelsel komt
hier samen, bekleed met slijmvlies, vaginawand bevat slijmklieren, loopt met een knik omhoog (bij een
hond).
Vulva: Bestaat uit 2 lippen, buitenkant is bekleed met huid, binnenkant is bekleed met een dikke
slijmvlieslaag, blijft gesloten door het dikke elastisch onderhuids bindweefsel.