Psychodiagnostiek bij mensen met een verstandelijke beperking
In het verleden deed men nauwelijks aan diagnostiek in de gehandicaptenzorg.
Ze waren ervan overtuigd dat het onbegrepen gedrag het gevolg is van cognitieve
problemen (diagnostic overshadowing).
Er waren ook geen of onvoldoende genormeerde en gevalideerde instrumenten.
Een deel van de doelgroep is niet test- of onderzoekbaar: gebrekkige communicatie,
geen zelfinzicht.
Kennis van oorzaken levert niet altijd informatie op over wat de beste behandeling is.
Daarnaast dacht men ‘’diagnosticeren is stigmatiseren’’.
Het gaat om een respectvolle bejegening. Wel keken ze naar de beeldvorming over de
persoon: wie is deze persoon?
Mensen met een verstandelijke beperking hebben geen zelfinzicht. Zij kunnen bijvoorbeeld
van zichzelf vinden dat ze nooit boos zijn. Terwijl begeleiders wel aangeven dat hij/zij snel
boos is.
Mensen met een verstandelijke beperking vertonen dezelfde psychiatrische stoornissen als
mensen in de normale populatie.
, Wetenschappelijk onderzoek naar prevalentie van gedragsproblemen en psychiatrische
problemen:
Van de kinderen met een verstandelijke beperking heeft 38-49% psychiatrische
stoornissen:
o ADHD is de meest voorkomende stoornis, 30%
o Gedragsstoornissen, 3-21%
o Angststoornissen, 7-34%
Bij volwassenen met een verstandelijke beperking, 33.6%
o Shizofrenie (psychoses), 4.8% (normale populatie 1%)
o Stemmingsstoornissen, angststoornissen en persoonlijkheidsstoornissen komen
juist minder voor
o Challenging behaviors is rond 18%: agressief en destructief gedrag (8.3%),
zelfverwonded gedrag (7.5) en stereotiep gedrag (10.9%)
Challenging behaviors is geen diagnose en staat niet in de DSM of ICD.
Echter zijn classificaties ook geen verklaringen. Een classificatie (diagnose) is een verwijzing
naar een patroon van symptomen (=gedrag).
Het is niet mogelijk te ‘bewijzen’ dat iemand een psychiatrische stoornis heeft. Er bestaat niet
zoiets als bio markers (genen, hersendysfuncties, bloedwaarden) voor psychiatrische
stoornissen.
Psychiatrische stoornissen zijn geen ‘entiteiten’. Er bestaan nauwelijks ‘zuivere’ gevallen:
co-morbiditeit is groot, vaak meer dan 50%.
Classificaties/diagnoses geven aan wat de aard van de problemen zijn, dat ze ernstig zijn en
dat behandeling nodig.
De DSM-5/DSM-IV-TR is bruikbaar. Maar de toepasbaarheid neemt sterf af bij een dalend
niveau van functioneren zodanig dat het vrijwel onbruikbaar wordt bij mensen met een diepe
verstandelijke beperking. Bij zwakbegaafheid en licht verstandelijke beperking goed
toepasbaar.
In de gehandicaptenzorg zijn er daarom aparte classificatiesystemen:
DC-LD = Diagnostic Criteria for psychiatric disorders for use with adults with
learning disabilities/mental retardation.
DM-ID = Diagnostic Manual- Intellectual Disability en DM-ID-2 voor kinderen
volwassenen. Lijkt sterk op DSM-5 maar de criteria zijn wat aangepast voor
kinderen/volwassen met een verstandelijke beperking.
Diagnostiek is toch wel zinvol gebleken, daarom worden er tegenwoordig veel instrumenten
ontwikkeld.
Screeningsinstrumenten:
VOG (afgeleid van de CBCL/TRF)
DBC
Ontwikkelingsdomein, voor de sociale-emotionele ontwikkeling in kaart te brengen bij
verstandelijke beperking:
ESSEON-R
In het verleden deed men nauwelijks aan diagnostiek in de gehandicaptenzorg.
Ze waren ervan overtuigd dat het onbegrepen gedrag het gevolg is van cognitieve
problemen (diagnostic overshadowing).
Er waren ook geen of onvoldoende genormeerde en gevalideerde instrumenten.
Een deel van de doelgroep is niet test- of onderzoekbaar: gebrekkige communicatie,
geen zelfinzicht.
Kennis van oorzaken levert niet altijd informatie op over wat de beste behandeling is.
Daarnaast dacht men ‘’diagnosticeren is stigmatiseren’’.
Het gaat om een respectvolle bejegening. Wel keken ze naar de beeldvorming over de
persoon: wie is deze persoon?
Mensen met een verstandelijke beperking hebben geen zelfinzicht. Zij kunnen bijvoorbeeld
van zichzelf vinden dat ze nooit boos zijn. Terwijl begeleiders wel aangeven dat hij/zij snel
boos is.
Mensen met een verstandelijke beperking vertonen dezelfde psychiatrische stoornissen als
mensen in de normale populatie.
, Wetenschappelijk onderzoek naar prevalentie van gedragsproblemen en psychiatrische
problemen:
Van de kinderen met een verstandelijke beperking heeft 38-49% psychiatrische
stoornissen:
o ADHD is de meest voorkomende stoornis, 30%
o Gedragsstoornissen, 3-21%
o Angststoornissen, 7-34%
Bij volwassenen met een verstandelijke beperking, 33.6%
o Shizofrenie (psychoses), 4.8% (normale populatie 1%)
o Stemmingsstoornissen, angststoornissen en persoonlijkheidsstoornissen komen
juist minder voor
o Challenging behaviors is rond 18%: agressief en destructief gedrag (8.3%),
zelfverwonded gedrag (7.5) en stereotiep gedrag (10.9%)
Challenging behaviors is geen diagnose en staat niet in de DSM of ICD.
Echter zijn classificaties ook geen verklaringen. Een classificatie (diagnose) is een verwijzing
naar een patroon van symptomen (=gedrag).
Het is niet mogelijk te ‘bewijzen’ dat iemand een psychiatrische stoornis heeft. Er bestaat niet
zoiets als bio markers (genen, hersendysfuncties, bloedwaarden) voor psychiatrische
stoornissen.
Psychiatrische stoornissen zijn geen ‘entiteiten’. Er bestaan nauwelijks ‘zuivere’ gevallen:
co-morbiditeit is groot, vaak meer dan 50%.
Classificaties/diagnoses geven aan wat de aard van de problemen zijn, dat ze ernstig zijn en
dat behandeling nodig.
De DSM-5/DSM-IV-TR is bruikbaar. Maar de toepasbaarheid neemt sterf af bij een dalend
niveau van functioneren zodanig dat het vrijwel onbruikbaar wordt bij mensen met een diepe
verstandelijke beperking. Bij zwakbegaafheid en licht verstandelijke beperking goed
toepasbaar.
In de gehandicaptenzorg zijn er daarom aparte classificatiesystemen:
DC-LD = Diagnostic Criteria for psychiatric disorders for use with adults with
learning disabilities/mental retardation.
DM-ID = Diagnostic Manual- Intellectual Disability en DM-ID-2 voor kinderen
volwassenen. Lijkt sterk op DSM-5 maar de criteria zijn wat aangepast voor
kinderen/volwassen met een verstandelijke beperking.
Diagnostiek is toch wel zinvol gebleken, daarom worden er tegenwoordig veel instrumenten
ontwikkeld.
Screeningsinstrumenten:
VOG (afgeleid van de CBCL/TRF)
DBC
Ontwikkelingsdomein, voor de sociale-emotionele ontwikkeling in kaart te brengen bij
verstandelijke beperking:
ESSEON-R