Paragraaf 1
Behoeften
Ieder mens heeft behoeften en probeert daarin te voorzien. Behoeften van mensen
veranderen steeds. Je moet kiezen; waar geef ik mijn euro aan uit?
Primaire behoeften= voedsel, onderdak
Luxe behoeften= vakantie, telefoon
Goederen
Goederen zijn tastbare producten maar ook diensten. Vaak zijn goederen alternatief
aanwendbaar, dat betekent dat je het goed op verschillende manieren kunt gebruiken. Tijd
is bijvoorbeeld ook alternatief aanwendbaar.
Schaarste
Schaarste= als er productiemiddelen voor nodig zijn om een product te maken
Schaarste is de spanning tussen behoeften (oneindig) en middelen (niet oneindig)
Schaarste ≠ zeldzaamheid
Welvaart
Hoe meer je in je behoeften bent voorzien, hoe welvarender je je voelt.
Maar: – Je behoeften veranderen, ze stellen zich naar boven bij.
Maar: – Iets kan goed zijn voor de een maar vervelend voor de ander.
Maar: – Welvaart is subjectief, je kan het niet meten en iedereen ervaart het anders.
Paragraaf 2
Budgetlijn
Budgetlijn= Geeft de verschillende combinaties weer van twee bestedings mogelijkheden
bij een gegeven budget
Budgetlijn is altijd tussen twee dingen.
Budget= bedrag dat beschikbaar is om uit te geven aan bepaalde dingen.
Voorbeeld op bladzijde 11 van het lesboek
Opofferingskosten
Opofferingskosten= de waarde van het alternatief. (wat je dus niet doet!)
Voorbeeld op bladzijde 12 van het lesboek
De opofferingskosten van een vrije dag
Op mijn vrije dag ga ik naar het strand, ik had ook kunnen werken voor €50.
Mijn uitgaven op het strand+50 euro= opofferingskosten
Om de opofferingskosten van je vrije zaterdag te bepalen, kijk je altijd naar de niet
gekozen tijdsbesteding die het meest opbrengt.
Paragraaf 3
Arbeidsdeling
Scheiding tussen productie en consumptie.
Bij arbeidsdeling doet iedereen 1 klein deel. Zo word je beter in die taak, dat is
specialisatie. Daardoor versnelt de productie.