Natuuronderwijs inzichtelijk hst. 4,5,6
Hst. 4 Ecologie en milieu
4.1 Samenhang in ecosystemen
Ieder levend dier is afhankelijk van zijn omgeving. In het loofbos zie je dat de levende organismen
(biotische factoren(konijn, bosuil, eiken, beuken en braamstruiken)) en de factoren uit de levenloze
natuur (abiotische factoren(vruchtbare humuslaag bestaande uit afgebroken plantaardig en dierlijk
materiaal)) met elkaar samenhangen en elkaar beïnvloeden. Het samenhangend geheel van
abiotische en biotische factoren in een bepaald gebied, noem je een ecosysteem.
Een ecosysteem kan verschillend van grootte zijn. Een sloot met specifieke biotische factoren kan
een ecosysteem hebben, maar een uitgestrekt duinlandschap ook. Deze verschillende ecosystemen
noemen je biotopen(gebieden met een uniform landschapstype waarbij klimaat en geografische
omstandigheden hetzelfde zijn). Binnen een biotoop zijn weer verschillende leefgebieden (Habitats)
voor organismen te onderscheiden.
De tak van de biologie die zich bezighoudt met de wisselwerking tussen levende organismen
onderling en hun omgeving, heet ecologie.
4.1.2. Voedselrelaties in een ecosysteem:
In een ecosysteem kunnen organismen elkaar op verschillende manieren beïnvloeden. Een konijn
kan beschutting zoeken in de struiken, terwijl een veldmuis de nootjes van een beuk eet. De
veldmuis heeft concurrentie van andere dieren die ook zaden en vruchten eten, zoals de merels. Dit
concurrentieproces wordt ook wel competitie genoemd. De veldmuis heeft ook een predator. Dit is
een dier (bosuil) dat de veldmuis als prooi ziet.
Voedselketen: een keten van 'eten en gegeten worden' waarin energie en voedingsstoffen worden
doorgegeven.
Producenten: planten produceren hun eigen voedsel doormiddel van fotosynthese.
Consumenten: Dieren consumeren andere organismen om aan energie en voedingsstoffen te
komen. Je hebt herbivoren (planteneters), carnivoren (vleeseters) en omnivoren (alleseters)
Voedselweb: een ingewikkeld netwerk van onderling geschakelde voedselketens.
Voedselpiramide:
Hst. 4 Ecologie en milieu
4.1 Samenhang in ecosystemen
Ieder levend dier is afhankelijk van zijn omgeving. In het loofbos zie je dat de levende organismen
(biotische factoren(konijn, bosuil, eiken, beuken en braamstruiken)) en de factoren uit de levenloze
natuur (abiotische factoren(vruchtbare humuslaag bestaande uit afgebroken plantaardig en dierlijk
materiaal)) met elkaar samenhangen en elkaar beïnvloeden. Het samenhangend geheel van
abiotische en biotische factoren in een bepaald gebied, noem je een ecosysteem.
Een ecosysteem kan verschillend van grootte zijn. Een sloot met specifieke biotische factoren kan
een ecosysteem hebben, maar een uitgestrekt duinlandschap ook. Deze verschillende ecosystemen
noemen je biotopen(gebieden met een uniform landschapstype waarbij klimaat en geografische
omstandigheden hetzelfde zijn). Binnen een biotoop zijn weer verschillende leefgebieden (Habitats)
voor organismen te onderscheiden.
De tak van de biologie die zich bezighoudt met de wisselwerking tussen levende organismen
onderling en hun omgeving, heet ecologie.
4.1.2. Voedselrelaties in een ecosysteem:
In een ecosysteem kunnen organismen elkaar op verschillende manieren beïnvloeden. Een konijn
kan beschutting zoeken in de struiken, terwijl een veldmuis de nootjes van een beuk eet. De
veldmuis heeft concurrentie van andere dieren die ook zaden en vruchten eten, zoals de merels. Dit
concurrentieproces wordt ook wel competitie genoemd. De veldmuis heeft ook een predator. Dit is
een dier (bosuil) dat de veldmuis als prooi ziet.
Voedselketen: een keten van 'eten en gegeten worden' waarin energie en voedingsstoffen worden
doorgegeven.
Producenten: planten produceren hun eigen voedsel doormiddel van fotosynthese.
Consumenten: Dieren consumeren andere organismen om aan energie en voedingsstoffen te
komen. Je hebt herbivoren (planteneters), carnivoren (vleeseters) en omnivoren (alleseters)
Voedselweb: een ingewikkeld netwerk van onderling geschakelde voedselketens.
Voedselpiramide: