Week 7
Zelfstudievragen
1. Functioneel daderschap wil zeggen dat een ander dan degene die fysiek handelt als
dader geldt op grond van zijn maatschappelijke functie. Bij fysiek daderschap is het
dezelfde persoon die fysiek handelt en als dader geldt.
2. In het arrest Drijfmest heeft de Hoge Raad de redelijke toerekening als uitgangspunt
genomen, waarbij uitdrukkelijk is vastgesteld dat onder het aanvaarden tevens valt
het niet betrachten van de zorg die redelijkerwijs kan worden gevergd met het oog
op de voorkoming van de gedraging. De aanvaarding kan blijken uit het niet hebben
betracht van de zorg die redelijkerwijs kan worden gevergd met het oog op de
voorkoming van de gedraging die strekt in de overtuiging dat de benadering die is
gekozen ook geldt ten aanzien van het functioneel daderschap van natuurlijke
personen.
3. 1. Handelen of nalaten van iemand die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking
hetzij uit anderen hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon, 2. Een
gedraging die past in de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon, 3. De
gedraging is de rechtspersoon dienstig geweest in het dor hem uitgeoefende bedrijf,
4. IJzerdraadcriterium: de rechtspersoon mocht erover te beschikken of de gedraging
al dan niet zou plaatsvinden en zodanig of vergelijkbaar gedrag werd blijkens de
feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon aanvaard of placht te worden
aanvaard. Hieronder is mede begrepen het niet betrachten van de zorg die in
redelijkheid van de rechtspersoon kan worden gevergd met het oog op het
voorkomen van de gedraging.
4. Deze omstandigheden vormen geen limitatieve opsomming.
5. 1. Er kan sprake zijn van een psychisch klimaat binnen de rechtspersoon dat sterk in
het teken staat van de intentie tot het verrichten van bepaalde verboden
gedragingen, 2. opzet of schuld van natuurlijke personen die in de rechtspersoon
werkzaam zijn kunnen aan de rechtspersoon worden toegerekend.
6. Er is sprake van een grote overlap van het plegerschap met de deelnemingsvormen,
aangezien het in wezen situaties van doen plegen, uitlokken of medeplegen betreft.
De voorwaarden voor feitelijk leidinggeven zijn: 1. Er moet sprake zijn van een
bevoegdheid, dus een zekere beschikkingsmacht of zeggenschap van de functionaris
binnen de rechtspersoon met betrekking tot de activiteitensfeer waarbinnen de
rechtspersoon de verboden gedragingen verricht heeft, 2. De feitelijke leidinggever
heeft actieve en effectieve betrokkenheid bij de verboden gedraging, 3. Passieve
betrokkenheid kan ook worden gekwalificeerd als feitelijk leiding geven, de
functionaris moet dan op zijn minst een zorgplicht hebben gehad en hij moet
ondanks de vastgestelde bevoegdheid en de op hem drukkende zorgplicht
maatregelen achterwege hebben gelaten, 4. Dubbel opzet: opzet op het leidinggeven
zelf en opzet op het strafbare grondfeit dat door de rechtspersoon wordt begaan.
7. Opdracht geven wordt beschouwd als een meer bijzondere vorm van feitelijke
leidinggeven, waarbij ervan uit wordt gegaan dat voor de vaststelling van opdracht
geven wat strengere eisen gelden dan voor het bewijs van feitelijk leiding geven.
8. Feitelijk leiding geven veronderstelt dat de betrokkene een zekere macht, invloed en
verantwoordelijkheid heeft ten aanzien van het strafbare feit dat door de
Zelfstudievragen
1. Functioneel daderschap wil zeggen dat een ander dan degene die fysiek handelt als
dader geldt op grond van zijn maatschappelijke functie. Bij fysiek daderschap is het
dezelfde persoon die fysiek handelt en als dader geldt.
2. In het arrest Drijfmest heeft de Hoge Raad de redelijke toerekening als uitgangspunt
genomen, waarbij uitdrukkelijk is vastgesteld dat onder het aanvaarden tevens valt
het niet betrachten van de zorg die redelijkerwijs kan worden gevergd met het oog
op de voorkoming van de gedraging. De aanvaarding kan blijken uit het niet hebben
betracht van de zorg die redelijkerwijs kan worden gevergd met het oog op de
voorkoming van de gedraging die strekt in de overtuiging dat de benadering die is
gekozen ook geldt ten aanzien van het functioneel daderschap van natuurlijke
personen.
3. 1. Handelen of nalaten van iemand die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking
hetzij uit anderen hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon, 2. Een
gedraging die past in de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon, 3. De
gedraging is de rechtspersoon dienstig geweest in het dor hem uitgeoefende bedrijf,
4. IJzerdraadcriterium: de rechtspersoon mocht erover te beschikken of de gedraging
al dan niet zou plaatsvinden en zodanig of vergelijkbaar gedrag werd blijkens de
feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon aanvaard of placht te worden
aanvaard. Hieronder is mede begrepen het niet betrachten van de zorg die in
redelijkheid van de rechtspersoon kan worden gevergd met het oog op het
voorkomen van de gedraging.
4. Deze omstandigheden vormen geen limitatieve opsomming.
5. 1. Er kan sprake zijn van een psychisch klimaat binnen de rechtspersoon dat sterk in
het teken staat van de intentie tot het verrichten van bepaalde verboden
gedragingen, 2. opzet of schuld van natuurlijke personen die in de rechtspersoon
werkzaam zijn kunnen aan de rechtspersoon worden toegerekend.
6. Er is sprake van een grote overlap van het plegerschap met de deelnemingsvormen,
aangezien het in wezen situaties van doen plegen, uitlokken of medeplegen betreft.
De voorwaarden voor feitelijk leidinggeven zijn: 1. Er moet sprake zijn van een
bevoegdheid, dus een zekere beschikkingsmacht of zeggenschap van de functionaris
binnen de rechtspersoon met betrekking tot de activiteitensfeer waarbinnen de
rechtspersoon de verboden gedragingen verricht heeft, 2. De feitelijke leidinggever
heeft actieve en effectieve betrokkenheid bij de verboden gedraging, 3. Passieve
betrokkenheid kan ook worden gekwalificeerd als feitelijk leiding geven, de
functionaris moet dan op zijn minst een zorgplicht hebben gehad en hij moet
ondanks de vastgestelde bevoegdheid en de op hem drukkende zorgplicht
maatregelen achterwege hebben gelaten, 4. Dubbel opzet: opzet op het leidinggeven
zelf en opzet op het strafbare grondfeit dat door de rechtspersoon wordt begaan.
7. Opdracht geven wordt beschouwd als een meer bijzondere vorm van feitelijke
leidinggeven, waarbij ervan uit wordt gegaan dat voor de vaststelling van opdracht
geven wat strengere eisen gelden dan voor het bewijs van feitelijk leiding geven.
8. Feitelijk leiding geven veronderstelt dat de betrokkene een zekere macht, invloed en
verantwoordelijkheid heeft ten aanzien van het strafbare feit dat door de