H2 Biopsychologie, neurowetenschappen en de menselijke aard
De student kan het verband tussen genen en gedrag beschrijven
De student kan de communicatiesystemen van het menselijk lichaam beschrijven
De student kan beschrijven hoe hersenen gedrag en psychische processen produceren
1. De student kan het verband tussen genen en gedrag beschrijven
Evolutie: het geleidelijke proces van biologische verandering van een soort doordat die zich succesvol aanpast
aan zijn omgeving.
Het evolutieproces is de koppeling tussen erfelijkheid en gedrag.
Creationisme: de religieus geïnspireerde opvatting dat het universum en al het leven op aarde hun ontstaan te
danken hebben aan een bijzondere (goddelijke) scheppingsdaad.
Je eigen unieke combinatie van kenmerken/eigenschappen zijn allemaal bepaald door de gecodeerde
genetische ‘blauwdruk’ (genotype).
De gemengde erfenis (combinatie van kenmerken die je van je ouders hebt gekregen) bepaalt je unieke
genotype: het genetisch patroon waarin je van alle andere mensen op aarde verschilt (kenmerken van een
organisme zoals die genetisch zijn vastgelegd). (99,9 procent van het genetisch materiaal is bij iedereen
hetzelfde)
De uit genotype (blauwdruk) voorkomende fysieke eigenschappen vormt het fenotype: waarneembare fysieke
kenmerken van een organisme. Al je lichamelijke kenmerken vormen je fenotype, zichtbaar (lengte/haarkleur)
en ‘verborgen’ (chemie, ‘bedrading’ van je hersenen en gedrag) eigenschappen. Het genetisch patroon &
omgeving bepalen je fenotype.
Chromosomen, genen en DNA
Genoom: het genoom van een organisme omvat één complete set van chromosomen. De chromosomen in een
cel.
Chromosoom: lange, dunne en spiraalvormige draad waarlangs de genen zijn gerangschikt als de kralen van
een ketting. Chromosomen bestaan voornamelijk uit DNA.
, DNA: lang, complex molecuul dat informatie bevat over alle genetische eigenschappen. De volledige naam voor
DNA is desoxyribocleïnezuur.
Genen: stukjes van een chromosoom waarin de codes voor de erfelijke lichamelijke en psychische
eigenschappen van een organisme zijn opgeslagen. Ze vormen de functionele elementen van een chromosoom.
Elk gen, dat is gecodeerd in korte segmenten van DNA, draagt bij aan de werking van een organisme door voor
één enkel eiwit te coderen. Duizenden van dergelijke eiwitten dienen vervolgens als bouwstenen voor de
lichamelijke eigenschappen (het fenotype) van het organisme en reguleren de interne werking van het lichaam.
-> genen verschillen per individu: biologische bron van variatie die Darwins aandacht trok.
Op een nog kleinere schaal bestaan genen uit nog kleinere moleculaire eenheden: nucleotiden. De genetische
code bestaat uit 4 nucleotiden, voor unieke combi’s bestaan genen uit honderden nucleotiden. Elke unieke
combi specificeert een bepaald eiwit (tegenover elkaar liggende tanden van een rits).
Geslachtschromosoom: een chromosoom dat onze lichamelijke geslachtskenmerken bepaalt. Vrouwen hebben
twee X-chromosomen en mannen een X-en een Y-chromosoom. (1 paar chromosoom van de 23 paar) Van je
moeder ontvang je een X-chromosoom, van je vader een X- of Y-chromosoom.
Autosoom: een chromosoom dat geen geslachtschromosoom is; dus geen X-of Y-chromosoom. (één van de 22
andere paar chromosomen).
Genetische verklaringen voor psychologische processen
Vermoedelijk worden de meeste stoornissen niet door een enkel gen beïnvloed, maar door meerdere genen.
Discussie vrije wil vs. determinisme gedrag (vrije keus vs. genetische eigenschappen)
Ons gedrag en psychische processen worden bepaald door erfelijkheid en omgeving tezamen.
We zouden ‘ras’ moeten beschouwen als een sociaal gedefinieerde term, en niet als een biologisch begrip (er
zijn geen lichamelijke kenmerken waardoor mensen in afzonderlijke ‘raciale’ groepen kunnen worden
verdeeld). Het begrip cultuur vormt een beter verklaring voor de meeste psychologische belangrijke verschillen
tussen groepen onderling.
2. De student kan de communicatiesystemen van het menselijk lichaam beschrijven
De twee interne signaalsystemen van het lichaam, het zenuwstelsel en het endocriene stelsel, gebruiken beide
chemische boodschappers om met doelen in het gehele lichaam te communiceren.
Neuron (bouwstenen zenuwstelsel): een cel, ook wel zenuwcel genoemd, die is gespecialiseerd in het
ontvangen en doorsturen van info naar andere cellen in het lichaam. Een bundeling van een groot aantal
neuronen wordt een zenuw genoemd.
Soorten neuronen
Sensorische neuronen (afferente neuronen): geleiden enkel signalen van de zintuigen naar de hersenen.
(zenuwcel die boodschappen van sensorische receptoren naar het centrale zenuwstelsel geleidt)
Motorische neuronen (efferente neuronen): signalen vanuit de hersenen en ruggenmerg geleiden naar de
spieren, organen en klieren.
Schakelcellen: zenuwcel die boodschappen van de ene zenuwcel doorgeeft aan de andere en vooral voorkomt
in de hersenen en in het ruggenmerg. Behalve in het geval van reflexen, communiceren sensorische neuronen
niet rechtstreeks met motorische neuronen, maar maken dus gebruik van schakelcellen.
De student kan het verband tussen genen en gedrag beschrijven
De student kan de communicatiesystemen van het menselijk lichaam beschrijven
De student kan beschrijven hoe hersenen gedrag en psychische processen produceren
1. De student kan het verband tussen genen en gedrag beschrijven
Evolutie: het geleidelijke proces van biologische verandering van een soort doordat die zich succesvol aanpast
aan zijn omgeving.
Het evolutieproces is de koppeling tussen erfelijkheid en gedrag.
Creationisme: de religieus geïnspireerde opvatting dat het universum en al het leven op aarde hun ontstaan te
danken hebben aan een bijzondere (goddelijke) scheppingsdaad.
Je eigen unieke combinatie van kenmerken/eigenschappen zijn allemaal bepaald door de gecodeerde
genetische ‘blauwdruk’ (genotype).
De gemengde erfenis (combinatie van kenmerken die je van je ouders hebt gekregen) bepaalt je unieke
genotype: het genetisch patroon waarin je van alle andere mensen op aarde verschilt (kenmerken van een
organisme zoals die genetisch zijn vastgelegd). (99,9 procent van het genetisch materiaal is bij iedereen
hetzelfde)
De uit genotype (blauwdruk) voorkomende fysieke eigenschappen vormt het fenotype: waarneembare fysieke
kenmerken van een organisme. Al je lichamelijke kenmerken vormen je fenotype, zichtbaar (lengte/haarkleur)
en ‘verborgen’ (chemie, ‘bedrading’ van je hersenen en gedrag) eigenschappen. Het genetisch patroon &
omgeving bepalen je fenotype.
Chromosomen, genen en DNA
Genoom: het genoom van een organisme omvat één complete set van chromosomen. De chromosomen in een
cel.
Chromosoom: lange, dunne en spiraalvormige draad waarlangs de genen zijn gerangschikt als de kralen van
een ketting. Chromosomen bestaan voornamelijk uit DNA.
, DNA: lang, complex molecuul dat informatie bevat over alle genetische eigenschappen. De volledige naam voor
DNA is desoxyribocleïnezuur.
Genen: stukjes van een chromosoom waarin de codes voor de erfelijke lichamelijke en psychische
eigenschappen van een organisme zijn opgeslagen. Ze vormen de functionele elementen van een chromosoom.
Elk gen, dat is gecodeerd in korte segmenten van DNA, draagt bij aan de werking van een organisme door voor
één enkel eiwit te coderen. Duizenden van dergelijke eiwitten dienen vervolgens als bouwstenen voor de
lichamelijke eigenschappen (het fenotype) van het organisme en reguleren de interne werking van het lichaam.
-> genen verschillen per individu: biologische bron van variatie die Darwins aandacht trok.
Op een nog kleinere schaal bestaan genen uit nog kleinere moleculaire eenheden: nucleotiden. De genetische
code bestaat uit 4 nucleotiden, voor unieke combi’s bestaan genen uit honderden nucleotiden. Elke unieke
combi specificeert een bepaald eiwit (tegenover elkaar liggende tanden van een rits).
Geslachtschromosoom: een chromosoom dat onze lichamelijke geslachtskenmerken bepaalt. Vrouwen hebben
twee X-chromosomen en mannen een X-en een Y-chromosoom. (1 paar chromosoom van de 23 paar) Van je
moeder ontvang je een X-chromosoom, van je vader een X- of Y-chromosoom.
Autosoom: een chromosoom dat geen geslachtschromosoom is; dus geen X-of Y-chromosoom. (één van de 22
andere paar chromosomen).
Genetische verklaringen voor psychologische processen
Vermoedelijk worden de meeste stoornissen niet door een enkel gen beïnvloed, maar door meerdere genen.
Discussie vrije wil vs. determinisme gedrag (vrije keus vs. genetische eigenschappen)
Ons gedrag en psychische processen worden bepaald door erfelijkheid en omgeving tezamen.
We zouden ‘ras’ moeten beschouwen als een sociaal gedefinieerde term, en niet als een biologisch begrip (er
zijn geen lichamelijke kenmerken waardoor mensen in afzonderlijke ‘raciale’ groepen kunnen worden
verdeeld). Het begrip cultuur vormt een beter verklaring voor de meeste psychologische belangrijke verschillen
tussen groepen onderling.
2. De student kan de communicatiesystemen van het menselijk lichaam beschrijven
De twee interne signaalsystemen van het lichaam, het zenuwstelsel en het endocriene stelsel, gebruiken beide
chemische boodschappers om met doelen in het gehele lichaam te communiceren.
Neuron (bouwstenen zenuwstelsel): een cel, ook wel zenuwcel genoemd, die is gespecialiseerd in het
ontvangen en doorsturen van info naar andere cellen in het lichaam. Een bundeling van een groot aantal
neuronen wordt een zenuw genoemd.
Soorten neuronen
Sensorische neuronen (afferente neuronen): geleiden enkel signalen van de zintuigen naar de hersenen.
(zenuwcel die boodschappen van sensorische receptoren naar het centrale zenuwstelsel geleidt)
Motorische neuronen (efferente neuronen): signalen vanuit de hersenen en ruggenmerg geleiden naar de
spieren, organen en klieren.
Schakelcellen: zenuwcel die boodschappen van de ene zenuwcel doorgeeft aan de andere en vooral voorkomt
in de hersenen en in het ruggenmerg. Behalve in het geval van reflexen, communiceren sensorische neuronen
niet rechtstreeks met motorische neuronen, maar maken dus gebruik van schakelcellen.