Functie eiwitten:
1. Structuur en stevigheid (Van cellen en weefsels)
2. Maken chemische reacties mogelijk (Enzymen)
a. Zonder de enzymen zullen de chemische reacties in het lichaam niet plaatsvinden
3. Transport van stoffen (Door celmembraan en het bloed)
a. Celmembranen laten niks door. Hierdoor bevat bijna iedere stof een specifiek
transporteiwit en bevat de celmembraan receptoren.
4. Kunnen dienen als communicatiemiddel (receptoren en hormonen zoals insuline en
glucagon)
Spieren en pezen zijn opgebouwd uit eiwitten
Eiwitten zijn opgebouwd uit aminozuren
Hormonen zoals insuline, adrenaline en glucagon zijn eiwitten
Eiwitten zitten aan elkaar vast d.m.v. een peptidebinding.
Herhaling opbouw aminozuur:
NH3+ = Aminogroep
COO- = Zuurgroep
R = Restgroep, Hierin verschilt elk aminozuur
- Bepaald de specifieke eigenschap
Essentieel: Moet je innemen met de voeding.
Niet-essentieel: Maakt het lichaam zelf, niet noodzakelijk om extra in te nemen.
Semi-essentieel: Normaal maakt het lichaam deze zelf aan, maar bij ziekte niet waardoor het
extra via de voeding moet ingenomen worden.
Essentieel Niet-essentieel
Histidine Alanine
Isoleucine Asparaginezuur
Onthouden:
Leucine Cysteïne
Niet-essentieel = A-C-G-P-S +
Methionine Tyrosine
tyrosine
Fenylalanine Glutaminezuur
Threonine Arginine
Tryptofaan Asparagine
Valine Glutamine
Lysine Glycine
Proline
Serine
Rood = Semi-essentieel
Voor de synthese van tyrosine moet er fenylalanine in de voeding zijn.
Glutamine en Alanine zijn de 2 losse
aminozuren die aan sondevoeding
worden toegevoegd
(Worden gesynthetiseerd uit acute
fase eiwitten)