HET SPIJSVERTERINGSSYSTEEM (TRACTUS DIGESTIVUS)
Histologie grondweefsels en spijsverteringssysteem
Grondweefsels
Er bestaan ongeveer 200 celtypes die georganiseerd zijn in weefsels. De weefsels kunnen
worden onderverdeeld in vier grondweefsels:
1. Epitheelweefsel
2. Bindweefsel
3. Spierweefsel
4. Zenuwweefsel
Deze grondweefsels zijn functioneel georganiseerd in organen. De verschillende celtypen
binnen een grondweefsel hebben dezelfde biologische oorsprong.
Epitheelweefsel
Epitheel is een weefsel dat bestaat uit aaneensluitende cellen zonder tussenstof. Ze
celtypes kunnen op een aantal onderdelen worden ingedeeld:
- Soort: bekledingsepitheel of klieren.
- Celvormen voor epitheel: plaveisel, kubisch en cilindrisch
- Cellagen: eenlagig, gelaagd of pseudogelaagd. Dat laatste is dat de cellen een
beetje door elkaar liggen.
De kenmerken van epitheelweefsel is dat het niet doorbloed is, gepolariseerd en
aanwezigheid van een basaal membraan. Ook heeft dit weefsel oppervlakte specialisaties
zoals microvilli, oppervlaktevergroting, en ciliën (trilharen).
Epitheel heeft veel intercellulaire verbindingen, verschillende celjunctions.
,Epitheel kan ook dienen als klierweefsel zoals eerder gezegd. Dit is vaak de insnoering van
epitheel weefsel en bestaat uit parenchym (kliercellen) en stroma (bindweefsel). Vaak zijn
hierbij ook secretiegranula aanwezig. Dit zorgt ervoor dat er afgifte plaatsvindt door het
klierweefsel. Je hebt twee verschillende soorten, namelijk exocriene en endocriene klieren.
Bij exocriene klieren vindt afgifte plaats via een afvoerbuis aan het epitheliale oppervlak, en
bij endocriene klieren vindt afgifte van hormonen plaats direct aan het lumen, bijvoorbeeld
bloed of lymfe (geen afvoerbuis).
Er zijn drie soorten kliersecretie:
1. Merocrien: afgifte van in cellen geproduceerd prodcut aan de oppervlakte.
2. Apocrien: een stuk cel breekt af.
3. Holocrien: cellen barsten open waardoor inhoud naar buiten komt.
Bindweefsel
Bindweefsel zijn niet aaneengesloten cellen, maar door tussenstof gescheiden. Het
embryonale voorstadium van dit weefsel is het mesenchym. Je hebt verschillende typen
waarbij de tussenstof erg verschilt:
1. Vezel en losmazig bindweefsel: fibroblasten. De tussenstof is hierbij grondsubstantie
en vezels: collageen, reticulair of elastisch. Collageen is lijmgevend. Reticulaire
vezels is een vlechtwerk van vezels en komen vooral in basaalmembraan en om
organen voor. Elastische vezels zijn opgebouwd uit microfibrillen en elastine en komt
voor in elastisch bindweefsel, kraakbeen en rond bloedvaten.
2. Kraakbeen en been
3. Bloed en lymfe
4. Endotheel en mesotheel.
De cellen in het bindweefsel zijn vast of vrij. De vaste cellen zijn cellen die aan elkaar
verbonden zitten. De vrije cellen kunnen los bewegen van elkaar.
Het spijsverteringsstelsel
De algemene opbouw van het spijsverteringsstelsel is als volgt:
- Mucosa (slijmvlies): bestaat uit epitheel, lamina propria en muscularis mucosa
(circulaire en longitudinale spieren).
- Submucosa: bindweefsel en plexus submucosa (zenuwknoppen).
- Muscularis externa: circulaire en longitudinale spieren en plexus myentericus
(zenuwknoppen).
- Serosa: bindweefsel (membraan).
, De dunne darm heeft oppervlaktevergroting door de mucosa en de submucosa, darmcvilli en
microvilli. De mucosa van de dunne darm zorgt voor opname van voedingsstoffen en water
en bestaat dan ook uit absorberende cellen. Ook heeft de mucosa circulaire en longitudinale
spieren. De submucosa van de dunne darm is dicht fibro-elastisch bindweefsel die veel
lymfatische en vasculaire componenten bevat. Ook zijn zenuwplexus aanwezig. De
muscularis externa en serosa van de dunne darm bevatten circulaire en longitudinale
spieren, plexus myentericus die de peristaltiek regelt. De serosa van de dunne darm is
bindweefselvlies rond de darm die in verbinding staat met peritoneum
Histologie grondweefsels en spijsverteringssysteem
Grondweefsels
Er bestaan ongeveer 200 celtypes die georganiseerd zijn in weefsels. De weefsels kunnen
worden onderverdeeld in vier grondweefsels:
1. Epitheelweefsel
2. Bindweefsel
3. Spierweefsel
4. Zenuwweefsel
Deze grondweefsels zijn functioneel georganiseerd in organen. De verschillende celtypen
binnen een grondweefsel hebben dezelfde biologische oorsprong.
Epitheelweefsel
Epitheel is een weefsel dat bestaat uit aaneensluitende cellen zonder tussenstof. Ze
celtypes kunnen op een aantal onderdelen worden ingedeeld:
- Soort: bekledingsepitheel of klieren.
- Celvormen voor epitheel: plaveisel, kubisch en cilindrisch
- Cellagen: eenlagig, gelaagd of pseudogelaagd. Dat laatste is dat de cellen een
beetje door elkaar liggen.
De kenmerken van epitheelweefsel is dat het niet doorbloed is, gepolariseerd en
aanwezigheid van een basaal membraan. Ook heeft dit weefsel oppervlakte specialisaties
zoals microvilli, oppervlaktevergroting, en ciliën (trilharen).
Epitheel heeft veel intercellulaire verbindingen, verschillende celjunctions.
,Epitheel kan ook dienen als klierweefsel zoals eerder gezegd. Dit is vaak de insnoering van
epitheel weefsel en bestaat uit parenchym (kliercellen) en stroma (bindweefsel). Vaak zijn
hierbij ook secretiegranula aanwezig. Dit zorgt ervoor dat er afgifte plaatsvindt door het
klierweefsel. Je hebt twee verschillende soorten, namelijk exocriene en endocriene klieren.
Bij exocriene klieren vindt afgifte plaats via een afvoerbuis aan het epitheliale oppervlak, en
bij endocriene klieren vindt afgifte van hormonen plaats direct aan het lumen, bijvoorbeeld
bloed of lymfe (geen afvoerbuis).
Er zijn drie soorten kliersecretie:
1. Merocrien: afgifte van in cellen geproduceerd prodcut aan de oppervlakte.
2. Apocrien: een stuk cel breekt af.
3. Holocrien: cellen barsten open waardoor inhoud naar buiten komt.
Bindweefsel
Bindweefsel zijn niet aaneengesloten cellen, maar door tussenstof gescheiden. Het
embryonale voorstadium van dit weefsel is het mesenchym. Je hebt verschillende typen
waarbij de tussenstof erg verschilt:
1. Vezel en losmazig bindweefsel: fibroblasten. De tussenstof is hierbij grondsubstantie
en vezels: collageen, reticulair of elastisch. Collageen is lijmgevend. Reticulaire
vezels is een vlechtwerk van vezels en komen vooral in basaalmembraan en om
organen voor. Elastische vezels zijn opgebouwd uit microfibrillen en elastine en komt
voor in elastisch bindweefsel, kraakbeen en rond bloedvaten.
2. Kraakbeen en been
3. Bloed en lymfe
4. Endotheel en mesotheel.
De cellen in het bindweefsel zijn vast of vrij. De vaste cellen zijn cellen die aan elkaar
verbonden zitten. De vrije cellen kunnen los bewegen van elkaar.
Het spijsverteringsstelsel
De algemene opbouw van het spijsverteringsstelsel is als volgt:
- Mucosa (slijmvlies): bestaat uit epitheel, lamina propria en muscularis mucosa
(circulaire en longitudinale spieren).
- Submucosa: bindweefsel en plexus submucosa (zenuwknoppen).
- Muscularis externa: circulaire en longitudinale spieren en plexus myentericus
(zenuwknoppen).
- Serosa: bindweefsel (membraan).
, De dunne darm heeft oppervlaktevergroting door de mucosa en de submucosa, darmcvilli en
microvilli. De mucosa van de dunne darm zorgt voor opname van voedingsstoffen en water
en bestaat dan ook uit absorberende cellen. Ook heeft de mucosa circulaire en longitudinale
spieren. De submucosa van de dunne darm is dicht fibro-elastisch bindweefsel die veel
lymfatische en vasculaire componenten bevat. Ook zijn zenuwplexus aanwezig. De
muscularis externa en serosa van de dunne darm bevatten circulaire en longitudinale
spieren, plexus myentericus die de peristaltiek regelt. De serosa van de dunne darm is
bindweefselvlies rond de darm die in verbinding staat met peritoneum