Over gedragsproblemen bestaat een groot aantal min of meer houdbare opvattingen. Zie
onderstaande tabel.
Behalve risicofactoren bestaan er ook nog beschermende of protectieve factoren en is er ook
nog zoiets als veerkracht. Dit pleit voor ‘watchfull waiting’. Er zijn verschillende manieren om
tegen probleemgedrag aan te kijken en naar oplossingen te zoeken.
Gedragsproblemen doen zich voor in de school, maar ontstaan meestal niet door de school.
Het is zelfs zo dat de meeste invloed uitgaat van factoren die niet direct door de school te
beïnvloeden zijn: aanleg, biologisch-genetische factoren, gezondheid enzovoort. Veel
problemen zijn vooral aan buitenschoolse omstandigheden toe te schrijven. Toch blijkt uit
onderzoek dat, bij gelijke aanwezigheid van risicofactoren in het gezin of in de directe
omgeving ervan, een goede school de effecten van deze factoren in een aantal gevallen kan
beperken of opheffen. Dit wordt de buffering hypothese genoemd.
In dit boek wordt er vanuit gegaan dat gedragsproblemen het resultaat zijn van interacties
tussen de leerling, zijn thuisomgeving en de verschillende aspecten van de schoolomgeving.
Met betrekking van de schoolomgeving wordt het accent gelegd op de gang van zaken in het
primaire proces (klassensituatie). De nadruk leggen we op de relatie tussen de leraar en
leerlingen en de situatie (schoolcontext) waarin het gedragsprobleem zich voordoet.
Prevalentie van gedragsproblemen
Het is moeilijk om gedrag in de categorie van gedragsproblemen te plaatsen. Er is door
leraren een sociaal-emotionele vragenlijst ingevuld (SEV). Daarin worden de volgende
categorieën onderscheiden:
1. Aandachtstekort met hyperactiviteit (ADHD): kinderen met dit probleem kunnen zich
vaak slecht concentreren. De dimensie bevat aandachtstekort, impulsiviteit en
hyperactiviteit.
2. Sociale gedragsproblematiek (ODD en CD): bij jonge kinderen vooral opstandigheid,
dwars en tegendraads. Bij oudere kinderen uit het zich veelal in probleemgedrag