deel 3 & 4
0
,Inhoud
Hoofdstuk 1 Vier rijken blz. 2
Hoofdstuk 2 Planten en dieren blz. 5
Hoofdstuk 4 Waarnemen en reageren blz. 8
Hoofdstuk 5 Bescherming blz. 14
Hoofdstuk 7 Ademen en eten blz. 17
Hoofdstuk 8 Bloed blz. 24
Hoofdstuk 9 Voortplanting blz. 30
Hoofdstuk 10 Erfelijkheid blz. 35
Hoofdstuk 11 Evolutie blz. 39
Hoofdstuk 12 Gedrag blz. 43
Hoofdstuk 13 Afweer blz. 46
1
, Hoofdstuk 1 vier rijken
§ 1.1
*Organismen: levend wezen hebben dezelfde *levenskenmerken: kenmerken die
bij alle levende wezens voorkomen: groeien, voeden zich, ademen (gaswisseling),
geven stoffen af (uitscheiding), prikkels waarnemen en reageren, voortplanten en
bewegen.
Organismen zijn onderverdeeld in vier groepen:
- Plantenrijk
- Dierenrijk
- Schimmelrijk
- Bacterierijk
Deze zijn zo ingedeeld door de verschillende *cellen: kleinste bouwstenen van een
organisme.
Plantenrijk Dierenrijk Schimmelrijk Bacterierijk
Eencellige dieren Sponzen
Holtedieren Wormen
Weekdieren Geleedpotigen
Stekelhuidige gewervelde
Vissen
Zoogdieren Vogels
Reptielen Amfibieën
De gewervelde dieren hebben allemaal een wervelkolom, dit is hun *eigenschap:
een kenmerk dat hoort bij een bepaalde soort of bij een organisme. Verder zijn er
ook nog grote verschillen tussen de gewervelde dieren, daarom zijn deze in nog vijf
groepen verdeeld.
Organismen hebben elkaar nodig door, want zonder
elkaar kunnen ze niet. Dit is te zien in een
*voedselkringloop: de kringloop van voedingsstoffen,
die worden gevormd door producenten, opgegeten door
consumenten en afgebroken door reducenten. De
producenten nemen mineralen op, die weer vrijkomen bij
de reducenten.
Planten maken gebruik van *anorganische stoffen:
stoffen afkomstig uit de levenloze natuur, zoals water,
CO2, zuurstof, ijzer en kalk. Planten gebruiken
koolstofdioxide en water en maken *glucose:
organische voedingsstof. Glucose komt vrij bij
fotosynthese, dit vind plaats in de bladgroenkorrels. Van
glucose worden eiwitten, zetmeel en vetten gemaakt, hiervoor heeft de plant
mineralen nodig.
*organische stoffen: stoffen die gemaakt worden door levende organismen zoals
glucose, zetmeel, vetten en eiwitten.
(reducenten breken resten af, zetten om in organische stoffen)
2
, § 1.2
Een plant bestaat uit 4 delen:
- *Wortels: orgaan waarmee een plant water en mineralen opneemt uit de
bodem. Zo zit de plant vast in de grond.
- *Stengel: orgaan van een plant waaraan de
bladeren en de bloemen vastzitten. De stengel
houdt de plant overeind en de plant vervoert stoffen
door de stengel.
- *Bladeren: organen van een plant waar
fotosynthese plaatsvindt (bloedgroenkorrel)
- *Bloemen: voortplantingsorganen van een plant.
*weefsel: cellen met dezelfde vorm en functie.
Onderdelen van een plantencel:
- *Celwand: stevige laag rondom een
plantencel, schimmelcel en bacteriecel.
*Cellulose: organische stof waaruit de
celwanden bij planten bestaan.
- *Celmembraan: vliesje om het cytoplasma van
de cel dat de opname en afgifte van stoffen
regelt.
- *Cytoplasma: stroperige vloeistof in de cellen
van alle organismen. Hierin liggen de celkern en
bij planten de bladgroenkorrels.
- *Celkern: onderdeel van de cel bij planten, Plantencel
dieren en schimmels. Hierin bevind DNA.
*DNA: stof waaruit chromosomen grotendeels zijn
opgebouwd. Bevat erfelijke eigenschappen.
- *Bladgroenkorrel: onderdelen in de plantencel,
die zorgen voor fotosynthese.
- *Vacuole: blaasje in een plantencel of
schimmelcel, dat gevuld is met water, hierdoor is de
cel stevig.
Schimmelcel
Dierlijkecel
Bacteriecel
3