Week 4, de peuter- en kleuterwijk
Ontwikkelingspsychologie deel 1, 9.1. (9.1.1., 9.1.3) & 9.2. (9.2.1. 9.2.2.)& 10.1.
(10.1.1., 10.1.2., 10.1.3., 10.1.4)& 10.2. (10.2.1., 10.2.2., 10.2.3. , 10.2.4)& 10.3.
(10.3.1.) & Psychiatrie een inleiding, 13.2
Student kent de cognitieve ontwikkeling in de peuter- en kleutertijd
volgens de theorie van Piaget, kan deze herkennen in een korte
casus en begrijpt de steun en kritiek op deze theorie.
Piaget zag de peuter- kleutertijd als een tijd van zowel stabiliteit als grote veranderingen.
Het Preoportioneel stadium (Piaget) is een stadium over de periode van het tweede tot het zevende
jaar, waarin het gebruik van symbolisch denken groeit, het vermogen om te redeneren ontstaat en
het gebruik van concepten toeneemt.
Bijvoorbeeld: een kind ziet de sleutel van zijn moeder en reageert met ‘’naar de winkel?’’ het kind
ziet de sleutels als symbool voor een autoritje.
Kinderen kunnen in het begin van deze fase nog niet goed overweg met de nieuwe inhoud en
hebben zij nog niet voldoende beschikking over cognitieve denkoperaties. Denkoperatie is
georganiseerd, formele, logische mentale processen.
Bijvoorbeeld: een kind dat naar elk vliegtuig zwaait omdat zijn vader op reis is met het vliegtuig.
Een van de belangrijkste aspecten van preoperationeel denken is volgens Piaget het symboolgebruik.
Symboolgebruik is her vermogen om een mentaal symbool, een object of een woord te gebruiken
om iets wat niet fysiek aanwezig is weer te geven of te vervangen.
Bijvoorbeeld: het woord auto aan te zien voor een denkbeeldige auto.
Symboolgebruik kan benut worden in de communicatie met kinderen, bijvoorbeeld door het gebruik
van pictogrammen. Een pictogram is een symbool of afbeelding dat de plaats inneemt van een tekst.
Diverse methodes die gebruik maken van pictogrammen worden gebruik bij kinderen met speciale
behoeftes.
Bijvoorbeeld: PECS is bedoeld om kinderen met een ontwikkelingsstoornis diverse communicatieve
vaardigheden aan te leren.
Relatie tussen taal en gedrag
- peuters hebben een steeds complexer taalgebruik
- Piaget denkt dat de taal en denken met elkaar verbonden zijn
- symbolisering stelt peuters en kleuters instaat om acties symbolisch weer te geven, hierdoor gaat
het denken veel sneller
- gebruik van taal kan de kinderen in het heden laten denken.
- volgens Piaget is taalontwikkeling gebaseerd op de ontwikkeling van complexere denkwijzen
Centratie
-> het onvermogen van jonge kinderen om zich op meer dan één aspect van een stimulus te
concentreren.
Bijvoorbeeld: een kind dat een kat met een honden masker aan ziet als hond, die hoort te kwispelen
en blaffen.
Dit is een onvermogen dat de
meeste 3-4 jarige kinderen
hebben.
, Conservatie
-> het inzicht dat kwaliteit niet gerelateerd is aan fysieke verschijningen (het is een uitingsvorm van
logisch denken).
In de preoportionele periode kunnen kinderen niet begrijpen dat een verandering in één dimensie
(zoals verschijning) niet noodzakelijk betekent dat andere dimensies (hier kwantiteit) ook
veranderen.
Het gebrek aan condervatie manifesteert zich ook in het ruimtelijk inzicht van kinderen. Volgnes
Piaget maken kinderen deze fouten doordat hun neiging tot centratie hen ervan weerhoudt zich te
concentreren op de relevante kenmerken van de situaties.
Ontwikkelingspsychologie deel 1, 9.1. (9.1.1., 9.1.3) & 9.2. (9.2.1. 9.2.2.)& 10.1.
(10.1.1., 10.1.2., 10.1.3., 10.1.4)& 10.2. (10.2.1., 10.2.2., 10.2.3. , 10.2.4)& 10.3.
(10.3.1.) & Psychiatrie een inleiding, 13.2
Student kent de cognitieve ontwikkeling in de peuter- en kleutertijd
volgens de theorie van Piaget, kan deze herkennen in een korte
casus en begrijpt de steun en kritiek op deze theorie.
Piaget zag de peuter- kleutertijd als een tijd van zowel stabiliteit als grote veranderingen.
Het Preoportioneel stadium (Piaget) is een stadium over de periode van het tweede tot het zevende
jaar, waarin het gebruik van symbolisch denken groeit, het vermogen om te redeneren ontstaat en
het gebruik van concepten toeneemt.
Bijvoorbeeld: een kind ziet de sleutel van zijn moeder en reageert met ‘’naar de winkel?’’ het kind
ziet de sleutels als symbool voor een autoritje.
Kinderen kunnen in het begin van deze fase nog niet goed overweg met de nieuwe inhoud en
hebben zij nog niet voldoende beschikking over cognitieve denkoperaties. Denkoperatie is
georganiseerd, formele, logische mentale processen.
Bijvoorbeeld: een kind dat naar elk vliegtuig zwaait omdat zijn vader op reis is met het vliegtuig.
Een van de belangrijkste aspecten van preoperationeel denken is volgens Piaget het symboolgebruik.
Symboolgebruik is her vermogen om een mentaal symbool, een object of een woord te gebruiken
om iets wat niet fysiek aanwezig is weer te geven of te vervangen.
Bijvoorbeeld: het woord auto aan te zien voor een denkbeeldige auto.
Symboolgebruik kan benut worden in de communicatie met kinderen, bijvoorbeeld door het gebruik
van pictogrammen. Een pictogram is een symbool of afbeelding dat de plaats inneemt van een tekst.
Diverse methodes die gebruik maken van pictogrammen worden gebruik bij kinderen met speciale
behoeftes.
Bijvoorbeeld: PECS is bedoeld om kinderen met een ontwikkelingsstoornis diverse communicatieve
vaardigheden aan te leren.
Relatie tussen taal en gedrag
- peuters hebben een steeds complexer taalgebruik
- Piaget denkt dat de taal en denken met elkaar verbonden zijn
- symbolisering stelt peuters en kleuters instaat om acties symbolisch weer te geven, hierdoor gaat
het denken veel sneller
- gebruik van taal kan de kinderen in het heden laten denken.
- volgens Piaget is taalontwikkeling gebaseerd op de ontwikkeling van complexere denkwijzen
Centratie
-> het onvermogen van jonge kinderen om zich op meer dan één aspect van een stimulus te
concentreren.
Bijvoorbeeld: een kind dat een kat met een honden masker aan ziet als hond, die hoort te kwispelen
en blaffen.
Dit is een onvermogen dat de
meeste 3-4 jarige kinderen
hebben.
, Conservatie
-> het inzicht dat kwaliteit niet gerelateerd is aan fysieke verschijningen (het is een uitingsvorm van
logisch denken).
In de preoportionele periode kunnen kinderen niet begrijpen dat een verandering in één dimensie
(zoals verschijning) niet noodzakelijk betekent dat andere dimensies (hier kwantiteit) ook
veranderen.
Het gebrek aan condervatie manifesteert zich ook in het ruimtelijk inzicht van kinderen. Volgnes
Piaget maken kinderen deze fouten doordat hun neiging tot centratie hen ervan weerhoudt zich te
concentreren op de relevante kenmerken van de situaties.