Grammatica bijhorende taalanalyse 2
Oorzakelijk voorwerp (ov)
Het oorzakelijk voorwerp komt voor bij een klein aantal naamwoordelijk gezegdes, zoals beu zijn,
bijster raken/zijn, kwijt zijn, moe worden, schuldig zijn, van plan zijn en waard zijn. Al deze gezegdes
hebben een aanvulling nodig die aangeeft wát er kwijt is, wát iets waard is. Deze aanvulling wordt
het oorzakelijk voorwerp genoemd. Je kan ongeveer dezelfde vraag stellen als voor het lijdend
voorwerp.
Ik was zijn gezeur beu.
Janny raakte het spoor bijster.
De scheidsrechter is zijn gedrag spuugzat.
is = pv
de scheidsrechter = ow
wie/wat is de scheidsrechter spuugzat? dat gedrag = ov
Bepaling van gesteldheid (bep. V. gest.)
Geeft de toestand aan waarin het onderwerp verkeert of geeft de toestand aan waarin het lijdend
voorwerp verkeert. Er kunnen meerdere voorkomen in een zin.
Hongerig kwam hij thuis.
Vragend voornaamwoord (vr.vnw)
Vragen naar namen, eigenschappen of nadere detailleringen.
Wie, wat, welk(e) en wat voor (een).
Wie loopt daar? = een vraag naar een mens
Wat heb jij gekregen? = een vraag naar een voorwerp/ding
Welk spelletje kies jij? = een vraag naar een ding/keuze uit
Wat voor biertje wil je drinken? = een keuze maken
Wat komt ook voor in uitroepen, bijv.; Wat een weer! Dan is het een uitroepend voornaamwoord.
De andere vragen woorden zoals waar, waarom zijn bijwoorden en geen vragend voornaamwoorden.
Onbepaald voornaamwoord (onbep. vnw)
Verwijst altijd naar iets vaags.
Iets- niets, iemand- niemand, alles- wat (iets), elk(e)- iedereen, sommige(n)- andere(n), enkel(e)-
menige, het, geen, deze.
In de keuken is er iets misgegaan. (we weten niet wat er is misgegaan= dus vaag)
Dat weet helemaal niemand. (niemand = vaag)
Dat is alles wat men weet. (alles = vaag en wie verstaan we onder men= vaag)
Menige postduif komt ooit nog terug.
Het regent al drie dagen.
Hebben jullie nog wat/iets gekregen? (we weten niet wat wat is = vaag)
Als je wat door iets kan vervangen in de zin is het een onbepaald voornaamwoord.
Oorzakelijk voorwerp (ov)
Het oorzakelijk voorwerp komt voor bij een klein aantal naamwoordelijk gezegdes, zoals beu zijn,
bijster raken/zijn, kwijt zijn, moe worden, schuldig zijn, van plan zijn en waard zijn. Al deze gezegdes
hebben een aanvulling nodig die aangeeft wát er kwijt is, wát iets waard is. Deze aanvulling wordt
het oorzakelijk voorwerp genoemd. Je kan ongeveer dezelfde vraag stellen als voor het lijdend
voorwerp.
Ik was zijn gezeur beu.
Janny raakte het spoor bijster.
De scheidsrechter is zijn gedrag spuugzat.
is = pv
de scheidsrechter = ow
wie/wat is de scheidsrechter spuugzat? dat gedrag = ov
Bepaling van gesteldheid (bep. V. gest.)
Geeft de toestand aan waarin het onderwerp verkeert of geeft de toestand aan waarin het lijdend
voorwerp verkeert. Er kunnen meerdere voorkomen in een zin.
Hongerig kwam hij thuis.
Vragend voornaamwoord (vr.vnw)
Vragen naar namen, eigenschappen of nadere detailleringen.
Wie, wat, welk(e) en wat voor (een).
Wie loopt daar? = een vraag naar een mens
Wat heb jij gekregen? = een vraag naar een voorwerp/ding
Welk spelletje kies jij? = een vraag naar een ding/keuze uit
Wat voor biertje wil je drinken? = een keuze maken
Wat komt ook voor in uitroepen, bijv.; Wat een weer! Dan is het een uitroepend voornaamwoord.
De andere vragen woorden zoals waar, waarom zijn bijwoorden en geen vragend voornaamwoorden.
Onbepaald voornaamwoord (onbep. vnw)
Verwijst altijd naar iets vaags.
Iets- niets, iemand- niemand, alles- wat (iets), elk(e)- iedereen, sommige(n)- andere(n), enkel(e)-
menige, het, geen, deze.
In de keuken is er iets misgegaan. (we weten niet wat er is misgegaan= dus vaag)
Dat weet helemaal niemand. (niemand = vaag)
Dat is alles wat men weet. (alles = vaag en wie verstaan we onder men= vaag)
Menige postduif komt ooit nog terug.
Het regent al drie dagen.
Hebben jullie nog wat/iets gekregen? (we weten niet wat wat is = vaag)
Als je wat door iets kan vervangen in de zin is het een onbepaald voornaamwoord.