HOOFDSTUK 2 : VAN KAVEL TOT GEVEL: ONDERDELEN VAN
STEDEBOUWKUNDIGE REGELGEVING
inleiding
wat in een stedebouwkundig ontwerp precies geregeld moet worden hangt af van de omstandigheden
en specifieke ambities en voorkeuren van opdrachtgevers en ontwerpers. als we een rangorde
opstellen van minimale naar maximale regulering, komen we tot de volgende opsomming :
1. uitgiftegrens : de grens tussen het publieke en het uit te geven private domein. wanneer een
stedebouwkundig plan zich hiertoe beperkt betekent dat een maximale vrijheid van aankoop,
bebouwing en gebruik van de grond ‘achter’ de uitgiftegrens. het gevolg is veelal een grote
variatie in verkaveling, bebouwing en gebruik. deze aanpak brengt risico’s met zich mee voor
de exploitatie van het plangebied, er kunnen bijv. restkavels overblijven en bepaalde vormen
van gebruik of bebouwing kunnen de directe omgeving zodanig domineren dat anderen niet
meer geïnteresseerd zijn in de aankoop van een kavel
2. rooilijn : regulering van de afstand van de bebouwing tot de uitgiftegrens. in eerste instantie
gebeurde dit veelal in middeleeuwse steden waarin de uitgiftegrens per kavel verschilde,
waardoor een meanderende straatwand ontstond. om toch een minimale straatbreedte te
garanderen voor verkeer en vervoer werden rooilijnen vastgesteld die de uiterste grens van
de bebouwing aangaven. het tussengebied behoorde tot het private domein maar mocht niet
bebouwd worden: de stoep
3. verkaveling : regulering van de vorm en de maat van de kavels, ook de grens tussen de
afzonderlijke kavels. hiermee kan voorkomen worden dat er ongewenste verschillen ontstaan
tussen (te) grote en (te) kleine kavels en wordt vanaf de 17 e eeuw vooral gebruikt voor
gebieden die bedoeld waren als woonwijken
4. positionering van de bebouwing : regulering van buitenmaten van hoofdgebouw en
bijgebouwen. het maximale kaveloppervlak dat bebouwd mag worden, zodat er genoeg
ruimte overblijft voor de aanleg van tuinen. in wijken met bredere kavelmaten wordt er zo
gegarandeerd wordt dat het groene parkachtige karakter geen geweld wordt aangedaan door
een te massale en aaneengesloten bebouwing
5. procession : de overgang tussen openbaar en privé domein. een gedeelte van de overgang
wordt bepaald door het ontwerp van de openbare ruimte en ook de wijze waarop het gebouw
benaderd wordt kan variëren. er ontstaat een geleidelijke overgang van openbaar naar privé
waarbij de voortuin of het erf als een overgangszone fungeert, hier treedt een vermenging op
van de openbare sfeer en de privé sfeer
6. dichtheid : de regulering van minimale en maximale bebouwing. een te lage dichtheid kan
leiden tot onvoldoende opbrengsten om de uitgaven voor het bouwrijp maken en voor de
openbare voorzieningen te compenseren en is van belang voor de commerciële voorzieningen
in het plangebied. tal van gemeenten met een hogere dichtheid hopen op een groter
inwoneraantal waardoor de inkomenspositie van de gemeente kan verbeteren. maar een te
hoge dichtheid kan worden ervaren als negatief voor de kwaliteit van de leefomgeving, met
als gevolg een daling van de prijzen van onroerend goed en grond
7. beeldkwaliteit : de regulering van straat- en gevelbeeld. al enkele eeuwen bestaan er ambities
en pogingen om het straat- en gevelbeeld als samenhangend geheel te ontwerpen. dit kan
variëren in het vastleggen van maatvoering en ritme van raam- en deuropeningen, dakvorm
en -helling, kleur- en materiaalgebruik, detaillering van kozijnen en vensterbanken, etc. dit is
het gemakkelijkst in het geval van één opdrachtgever die het geheel laat uitwerken door één
architect
STEDEBOUWKUNDIGE REGELGEVING
inleiding
wat in een stedebouwkundig ontwerp precies geregeld moet worden hangt af van de omstandigheden
en specifieke ambities en voorkeuren van opdrachtgevers en ontwerpers. als we een rangorde
opstellen van minimale naar maximale regulering, komen we tot de volgende opsomming :
1. uitgiftegrens : de grens tussen het publieke en het uit te geven private domein. wanneer een
stedebouwkundig plan zich hiertoe beperkt betekent dat een maximale vrijheid van aankoop,
bebouwing en gebruik van de grond ‘achter’ de uitgiftegrens. het gevolg is veelal een grote
variatie in verkaveling, bebouwing en gebruik. deze aanpak brengt risico’s met zich mee voor
de exploitatie van het plangebied, er kunnen bijv. restkavels overblijven en bepaalde vormen
van gebruik of bebouwing kunnen de directe omgeving zodanig domineren dat anderen niet
meer geïnteresseerd zijn in de aankoop van een kavel
2. rooilijn : regulering van de afstand van de bebouwing tot de uitgiftegrens. in eerste instantie
gebeurde dit veelal in middeleeuwse steden waarin de uitgiftegrens per kavel verschilde,
waardoor een meanderende straatwand ontstond. om toch een minimale straatbreedte te
garanderen voor verkeer en vervoer werden rooilijnen vastgesteld die de uiterste grens van
de bebouwing aangaven. het tussengebied behoorde tot het private domein maar mocht niet
bebouwd worden: de stoep
3. verkaveling : regulering van de vorm en de maat van de kavels, ook de grens tussen de
afzonderlijke kavels. hiermee kan voorkomen worden dat er ongewenste verschillen ontstaan
tussen (te) grote en (te) kleine kavels en wordt vanaf de 17 e eeuw vooral gebruikt voor
gebieden die bedoeld waren als woonwijken
4. positionering van de bebouwing : regulering van buitenmaten van hoofdgebouw en
bijgebouwen. het maximale kaveloppervlak dat bebouwd mag worden, zodat er genoeg
ruimte overblijft voor de aanleg van tuinen. in wijken met bredere kavelmaten wordt er zo
gegarandeerd wordt dat het groene parkachtige karakter geen geweld wordt aangedaan door
een te massale en aaneengesloten bebouwing
5. procession : de overgang tussen openbaar en privé domein. een gedeelte van de overgang
wordt bepaald door het ontwerp van de openbare ruimte en ook de wijze waarop het gebouw
benaderd wordt kan variëren. er ontstaat een geleidelijke overgang van openbaar naar privé
waarbij de voortuin of het erf als een overgangszone fungeert, hier treedt een vermenging op
van de openbare sfeer en de privé sfeer
6. dichtheid : de regulering van minimale en maximale bebouwing. een te lage dichtheid kan
leiden tot onvoldoende opbrengsten om de uitgaven voor het bouwrijp maken en voor de
openbare voorzieningen te compenseren en is van belang voor de commerciële voorzieningen
in het plangebied. tal van gemeenten met een hogere dichtheid hopen op een groter
inwoneraantal waardoor de inkomenspositie van de gemeente kan verbeteren. maar een te
hoge dichtheid kan worden ervaren als negatief voor de kwaliteit van de leefomgeving, met
als gevolg een daling van de prijzen van onroerend goed en grond
7. beeldkwaliteit : de regulering van straat- en gevelbeeld. al enkele eeuwen bestaan er ambities
en pogingen om het straat- en gevelbeeld als samenhangend geheel te ontwerpen. dit kan
variëren in het vastleggen van maatvoering en ritme van raam- en deuropeningen, dakvorm
en -helling, kleur- en materiaalgebruik, detaillering van kozijnen en vensterbanken, etc. dit is
het gemakkelijkst in het geval van één opdrachtgever die het geheel laat uitwerken door één
architect