Arbeid is het verrichten van taken die nut hebben voor de mensen die ze uitvoeren, voor hun naaste
omgeving alsmede voor de maatschappij als geheel. Arbeid heeft veel dimensies: last/lust,
plicht/recht, bevrijding/verslaving, bron rijkdom/armoede, Bron eigendom/bezit loosheid,
Godsdienst/mensendienst.
1.1 Welvaart en zekerheid
Voor de crisis dacht men dat productief zijn en hard werken met hoge plichtsbetrachting in een vaste
betrekking tijdens het hele actieve leven, met gunstige arbeidsvoorwaarden en een goede
arbeidskwaliteit, in het verlengde van een met succes afgesloten studie of opleiding. Dit spatte met
de crisis uiteen en er kwamen massaontslagen. Het sociale vangnet bood uitkomst met redelijke
uitkeringen. Werkende mensen droegen bij aan de integratie in de samenleving en sociale cohesie
voor de mensen die niet werkten. Nu is er veel meer sprake van flexwerk. Flexwerk: Thuis je werk
nog even doen om de volgende dag wat later te beginnen. Komt door treinen en filevorming etc.
1.2 Totale arbeidsparticipatie
De beroepsbevolking in Nederland is iedereen van 15 tot en met 64 jaar. Dit is inclusief alle
werklozen. Dit is een onbereikbaar doelstelling omdat je te maken hebt met studenten, onvrijwillig
werklozen (mensen die willen maar niet kunnen werken) en vrijwillig werklozen (mensen die kunnen
maar niet willen werken). Met de participatiegraad van 75% wil de EU in 2020 mensen aan het werk
hebben. Als er 80% van alle volwassenen een baan hebben, dan is er sprake van een optimale
arbeidsparticipatie.
1.3 Het Nieuwe Werken
Deeltijdarbeid wordt steeds populairder wegens gezinslasten bij veel vrouwen en het bevordert de
flexibele arbeidsorganisatie, dit heet interne flexibiliteit. Het Nieuwe Werken is een manier van
werken waarbij je niet aan een bepaalde werkplek en aan vaste werktijden gebonden bent. De
bedoeling is dat de werknemer de ruimte heeft te bepalen hoe hij werkt, waar hij werkt, wanneer hij
werkt, waarmee hij werkt en met wie hij werk. Het werken op afstand is geschikt hiervoor door
online veel werk te doen.
1.4 Ontgroening en vergrijzing
Ontgroening betekent dat er steeds minder jongeren zijn die zich aandienen op de arbeidsmarkt.
Vergrijzing betekent dat er sprake is van een toename van het aandeel ouderen in de bevolking.
1.5 Crisis: arbeid in beroering
In 2007 sloeg de financiële crisis toe. De schuldencrisis maakte dat veel mensen torenhoge schulden
kregen. Een grote ontslaggolf overspoelde het land. Er ontstond een stijging van de verborgen
werkloosheid voor allochtonen, laagopgeleiden en ouderen die wel wilden werken, maar moe
werden van het eindeloos solliciteren, totdat zij het opgaven. De verscherpte uitkeringsregels bij
werkloosheid vergroten de kans op verborgen werkloosheid en (kans)armoede.
1.5.1 Decentralisatie
De participatiewet moet ervoor zorgen dat mensen met een arbeidsbeperking aan het werk gaan. Dit
moeten de gemeenten regelen. Voor de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO) (bijvoorbeeld
voor gratis taxivervoer voor ouderen) kregen gemeenten minder geld. Ook werd de sociale
werkvoorziening (WSW) voor arbeidsgehandicapten afgeschaft. Zij moesten bij normale bedrijven