Woordenlijst communicatieve
vaardigheden
Woord Betekenis
Actie De persoon onderneemt daadwerkelijk actie.
Adherence In hoeverre de patiënt de gemaakte afspraken nakomt.
Adviesgesprek Een gesprek om te bereiken dat een zorgvrager een bepaalde
gedragslijn volgt.
Afstand vs. nabijheid De afstand tussen de verpleegkundige en de zorgvrager.
Afweging Patiënten begeleiden bij het tot stand komen van gedragsintentie
(voor en nadelen afwegen)
Ambivalent Personen zijn in discussie met elkaar. Aan de ene kant willen ze dit
en aan de andere kant willen ze dat.
Authenciteit Persoon wordt als eenheid gezien.
Behoudtaal De argumenten van de persoon om niet te veranderen.
Besluitvorming Patiënten helpen een besluit te nemen over verandering van gedrag.
De persoon maakt op dit moment plannen om het gedrag te
veranderen.
Bestaand gedrag De patiënt moet intensiveren (krachtiger maken)
Betrekkingsniveau Aandacht voor emotionele interactie tussen de zorgvrager en
verpleegkundige.
Bewustwording Patiënten helpen tot inzicht komen dat bepaald gedrag van invloed is
op de klacht en het herstel ervan en hoe dat verband in elkaar zit.
(voorlichting geven)
Border work Rituelen van plagen bij gedrag van andere sekse.
Cliëntsysteem Zorgvrager en de mensen er om heen.
Compassie Medeleven, mededogen, begaanheid.
Concreet operationeel Kinderen kunnen logisch nadenken over concrete dingen
Consolidatie De persoon probeert de bereikte verandering vol te houden en niet
terg te vallen.
Conventionele relatie Gekenmerkt door grote mate van voorspelbaarheid. Bepalen welke
gedragingen beide partijen zich zullen houden. Personen zijn
inwisselbaar.
Diagnosereceptmodel De zorgvrager legt het probleem voor aan de verpleegkundige. De
verpleegkundige komt met een oplossing.
Dienstverlenend systeem Team waarin de verpleegkundige werkzaam is.
Dilemma Gaat om een keuze waarbij er gekozen moet worden, de te kiezen
alternatieven elkaar uitsluiten en aan elke uitkomst bezwaren kleven.
Economisch Minder artsenbezoeken, kortere opnameduur, minder
doorverwijzingen.
Ego resilency Flexibel aanpassen aan de omgeving.
Empathie Inlevingsvermogen van de verpleegkundige om zich te verplaatsen in
de ervarings- en belevingswereld van de zorgvrager.
Engageren Hulpverleningsrelatie vestigen, cliënt perspectief
Ethisch Patiënt wordt niet tot object gereduceerd, wordt zelfstandiger,
zelfredzamer, onafhankelijker en mondiger.
Exploratieve fase Het stellen van vragen reflecties en stimulerende aanmoedigingen,
waardoor de zorgvrager tot meer zelfinzicht komt.
Focussen Richting zoeken en behouden
Formeel operationeel Kinderen kunnen logisch nadenken over abstracte objecten en over
hypothetische situaties.
Functionele relatie Relatie is gericht op een doel. Er zijn verschillende verwachtingen. Er
is een grote mate van voorspelbaarheid in thema’s en structuur. Niet
symmetrisch. Het betreft een betaalde relatie.
Gedragsbehoud Patiënten begeleiden bij behoud van het gedrag.
vaardigheden
Woord Betekenis
Actie De persoon onderneemt daadwerkelijk actie.
Adherence In hoeverre de patiënt de gemaakte afspraken nakomt.
Adviesgesprek Een gesprek om te bereiken dat een zorgvrager een bepaalde
gedragslijn volgt.
Afstand vs. nabijheid De afstand tussen de verpleegkundige en de zorgvrager.
Afweging Patiënten begeleiden bij het tot stand komen van gedragsintentie
(voor en nadelen afwegen)
Ambivalent Personen zijn in discussie met elkaar. Aan de ene kant willen ze dit
en aan de andere kant willen ze dat.
Authenciteit Persoon wordt als eenheid gezien.
Behoudtaal De argumenten van de persoon om niet te veranderen.
Besluitvorming Patiënten helpen een besluit te nemen over verandering van gedrag.
De persoon maakt op dit moment plannen om het gedrag te
veranderen.
Bestaand gedrag De patiënt moet intensiveren (krachtiger maken)
Betrekkingsniveau Aandacht voor emotionele interactie tussen de zorgvrager en
verpleegkundige.
Bewustwording Patiënten helpen tot inzicht komen dat bepaald gedrag van invloed is
op de klacht en het herstel ervan en hoe dat verband in elkaar zit.
(voorlichting geven)
Border work Rituelen van plagen bij gedrag van andere sekse.
Cliëntsysteem Zorgvrager en de mensen er om heen.
Compassie Medeleven, mededogen, begaanheid.
Concreet operationeel Kinderen kunnen logisch nadenken over concrete dingen
Consolidatie De persoon probeert de bereikte verandering vol te houden en niet
terg te vallen.
Conventionele relatie Gekenmerkt door grote mate van voorspelbaarheid. Bepalen welke
gedragingen beide partijen zich zullen houden. Personen zijn
inwisselbaar.
Diagnosereceptmodel De zorgvrager legt het probleem voor aan de verpleegkundige. De
verpleegkundige komt met een oplossing.
Dienstverlenend systeem Team waarin de verpleegkundige werkzaam is.
Dilemma Gaat om een keuze waarbij er gekozen moet worden, de te kiezen
alternatieven elkaar uitsluiten en aan elke uitkomst bezwaren kleven.
Economisch Minder artsenbezoeken, kortere opnameduur, minder
doorverwijzingen.
Ego resilency Flexibel aanpassen aan de omgeving.
Empathie Inlevingsvermogen van de verpleegkundige om zich te verplaatsen in
de ervarings- en belevingswereld van de zorgvrager.
Engageren Hulpverleningsrelatie vestigen, cliënt perspectief
Ethisch Patiënt wordt niet tot object gereduceerd, wordt zelfstandiger,
zelfredzamer, onafhankelijker en mondiger.
Exploratieve fase Het stellen van vragen reflecties en stimulerende aanmoedigingen,
waardoor de zorgvrager tot meer zelfinzicht komt.
Focussen Richting zoeken en behouden
Formeel operationeel Kinderen kunnen logisch nadenken over abstracte objecten en over
hypothetische situaties.
Functionele relatie Relatie is gericht op een doel. Er zijn verschillende verwachtingen. Er
is een grote mate van voorspelbaarheid in thema’s en structuur. Niet
symmetrisch. Het betreft een betaalde relatie.
Gedragsbehoud Patiënten begeleiden bij behoud van het gedrag.