Economie
Les 1 16/02
H1 basisprincipes van de economie
1.1 Inleiding
Economie = iemand die een huishouden beheert -> gezin
➢ Voorzien in basisbehoeften -> inkomen voor nodig
➢ Samenleving en schaarse middelen: beheer middelen cruciaal daar deze middelen
schaars zijn -> middelen rol kunnen niet alle behoeften voor iedereen voldoen ->
keuzeproblematiek
o Schaarsheid = samenleving heeft beperkte middelen en kunnen daarom niet
alle goederen en diensten produceren die de maatschappij wenst (vb
overheidsbegroting)
Economie = studie van de manier waarop samenleving haar schaarse middelen beheert
Economische modellen
= vereenvoudigde replica vd werkelijkheid
- Rekening houden met omstandigheden
- Realiteit vereenvoudigen zodat die begrijpbaar wordt
- Bepaald aspect van de werkelijkheid concreet bekijken en begrijpen => vertekening
van de werkelijkheid
1.2 Economische kringloop
= economische transactie tss gezinnen en ondernemingen voorstellen
- Representatie
- Gesloten
Economie = mensen die voortdurend allerlei activiteiten uitvoeren (verkopen, kopen,
werken, huren) => economische agenten
→ Constante wisselwerking -> geconfronteerd met noodzaak keuzes te maken
→ eco = leer over het maken van keuzes
▪ Gaat gepaard met bepaalde kost
▪ Door voor bepaalde optie te kiezen geef je een andere op -> opbrengt
opoffering maximaal
Hoeveel v welk goed waar verkopen?
Waarom keuzes moeten maken? -> gevolg v feit dat middelen die nodig zijn om diensten en
goederen te produceren gelimiteerd zijn
, - Markt = fysieke plek met
verschillende standhouders ->
tegenwoordig niet meer alleen fysiek
- Dynamische karakter eco ->
ontstaan voortdurend onevenwichten
- Confrontatie tss potentiële kopers
en verkopers
- Economische agenten met elkaar
in wisselwerking
- Stroomdiagram
- Blauw = monetaire stromingen = betaling gemaakt om goederen en diensten en
productiefactoren te verwerken
Types economische agenten
1. Ondernemingen: produceren goederen en diensten
• Maken gebruik van inputs = productiefactoren (arbeid, land en kapitaal)
2. Gezinnen: eigenaars v productiefactoren en consumeren de goederen en diensten
die ondernemingen produceren
Productiefactoren: gezinnen -> via factormarkten -> bedrijven (produceren goederen en
diensten) -> via goederenmarkt -> consumenten
- Vergoeding voor gezinnen voor het ter beschikking stellen v productiefactoren =
inkomen
- Met inkomen goederen en diensten aankopen -> terug nr bedrijf
Besluitvormers: gezinnen (consumenten) en bedrijven (producten)
- Belangrijkste kenmerkt voor keuzes te maken: iedereen tracht om voor zichzelf een
zo groot mogelijk voordeel uit transacties te halen (nut en winst)
Basisideeën:
1. Economische agenten die keuzes maken
2. Economische agenten die in contante wisselwerking staan
Les 2 18/02
1.3 Basisprincipes van de economie
Keuzes maken en de kost ervan
- Mensen worden geconfronteerd met trade-offs (keuzeproblematiek)
- De kost van iets is wat je ervoor opgeeft (kwant)
- Rationele mensen denken in marginale termen
De wisselwerking tussen de verschillende economische agenten
, - Mensen reageren op stimulansen
- Markten zijn meestal goede manier om economische activiteit te organiseren
- Overheden kunnen in bepaalde gevallen marktsituatie verbeteren
1.3.1 Principe 1: mensen worden geconfronteerd met trade-offs
- Om iets te bekomen dat we wensen moeten we meestal iets anders dat we
waarderen opgeven -> afwegen van de ene wens tegenover de andere
“De meeste dingen in het leven zijn niet gratis”
• De meeste dingen in het leven hebben economisch karakter
• Om goed/dienst te verwerven geven we iets anders op -> keuzes maken soms pijnlijk
Vb:
- Defensie-uitgaven vs culturele uitgaven: overheid moet ook keuzes maken
- Efficiëntie vs billijkheid
▪ Efficiëntie: slaat op wat de samenleving max kan halen uit haar schaarse
middelen (met beschikbare middelen zoveel mogelijk creëren)
▪ Billijkheid: voordelen van die middelen worden fair verdeeld onder de leden
van de samenleving (rechtvaardigheid)
➔ Om beslissingen te nemen dient men belangen tov elkaar af te wegen
1.3.2 Principe 2: de kost van iets is wat je ervoor opgeeft
Voor nemen van beslissingen moeten kosten en opbrengsten van verschillende alternatieven
worden vergeleken
- Kiezen is verliezen
Vb: studeren of niet
Opportuniteitskost (van iets) = wat je opgeeft om het goed te verwerven
1.3.2 Voorbeeld
Belangrijke keuze bedrijven: betreffende de hoeveelheid goederen die ze zullen produceren,
gegeven de productiefactoren waarover ze beschikken
- Stel meerdere goederen produceren: beslissen hoeveel v elk product hij maakt met
de productiefactoren die hij voorhanden heeft -> keuze gepaard met welbepaalde
kost
Productiemogelijkheidscurve = grafische voorstelling v verschillende mogelijke
outputcombinaties gegeven een bepaalde productietechnologie en totale hoeveelheid
beschikbare productiefactoren
- Extreme situaties vormen de 2 eindpunten vd productiemogelijkheidcurve
- Alle beschikbare productiefactoren voor auto’s: 1000 auto’s + 0 computers
, - Alle beschikbare productiefactoren voor computers: 3000 computers + 0 auto’s
▪ Afgebogen: nodige producten steeds
minder nodig
▪ Lineair: verhouding v nodige producten
altijd gelijk
▪ Opportuniteitskost groter wnr op 1 goed
gericht
▪ Een economie kan produceren op of
onder ieder punt van de curve
▪ Ieder punt boven curve stelt combinatie
voor die eco niet kan produceren
• Situatie efficiënt indien economie de maximale output genereert gegeven de
beschikbare schaarse productiefactoren
- Ieder punt op de curve stel een efficiënt productieniveau voor
- VB PUNT A
• Situatie inefficiënt: eco produceert minder dan ze zou kunnen obv de totale
beschikbare hoeveelheid productiefactoren
- VB PUNT B
• Productiefactoren herverdelen: van punt A nr punt C; 100 auto’s opgeven voor 200
meer computers
- In punt A is opportuniteitskost v 200 computers gelijk aan 100 auto’s
▪ Uitwaartse verschuiving curve:
o Betere technologie = efficiënter zijn -> kunnen
aflezen
• A -> E: meer computers en meer auto’s
geproduceerd (efficiëntiewinst bij 1 ervan geboekt)
SAMENGEVAT: PRODUCTIEMOGELIJKHEIDSCURVE VEREENVOUDIGT HET COMPLEXE
ECONOMISCHE GEBEUREN IN DIE MATE DAT ENKELE ECONOMISCHE
BASISCONCEPTEN MOOI KUNNEN WORDEN VERHELDERD EN GEÏLLUSTREERD
Les 1 16/02
H1 basisprincipes van de economie
1.1 Inleiding
Economie = iemand die een huishouden beheert -> gezin
➢ Voorzien in basisbehoeften -> inkomen voor nodig
➢ Samenleving en schaarse middelen: beheer middelen cruciaal daar deze middelen
schaars zijn -> middelen rol kunnen niet alle behoeften voor iedereen voldoen ->
keuzeproblematiek
o Schaarsheid = samenleving heeft beperkte middelen en kunnen daarom niet
alle goederen en diensten produceren die de maatschappij wenst (vb
overheidsbegroting)
Economie = studie van de manier waarop samenleving haar schaarse middelen beheert
Economische modellen
= vereenvoudigde replica vd werkelijkheid
- Rekening houden met omstandigheden
- Realiteit vereenvoudigen zodat die begrijpbaar wordt
- Bepaald aspect van de werkelijkheid concreet bekijken en begrijpen => vertekening
van de werkelijkheid
1.2 Economische kringloop
= economische transactie tss gezinnen en ondernemingen voorstellen
- Representatie
- Gesloten
Economie = mensen die voortdurend allerlei activiteiten uitvoeren (verkopen, kopen,
werken, huren) => economische agenten
→ Constante wisselwerking -> geconfronteerd met noodzaak keuzes te maken
→ eco = leer over het maken van keuzes
▪ Gaat gepaard met bepaalde kost
▪ Door voor bepaalde optie te kiezen geef je een andere op -> opbrengt
opoffering maximaal
Hoeveel v welk goed waar verkopen?
Waarom keuzes moeten maken? -> gevolg v feit dat middelen die nodig zijn om diensten en
goederen te produceren gelimiteerd zijn
, - Markt = fysieke plek met
verschillende standhouders ->
tegenwoordig niet meer alleen fysiek
- Dynamische karakter eco ->
ontstaan voortdurend onevenwichten
- Confrontatie tss potentiële kopers
en verkopers
- Economische agenten met elkaar
in wisselwerking
- Stroomdiagram
- Blauw = monetaire stromingen = betaling gemaakt om goederen en diensten en
productiefactoren te verwerken
Types economische agenten
1. Ondernemingen: produceren goederen en diensten
• Maken gebruik van inputs = productiefactoren (arbeid, land en kapitaal)
2. Gezinnen: eigenaars v productiefactoren en consumeren de goederen en diensten
die ondernemingen produceren
Productiefactoren: gezinnen -> via factormarkten -> bedrijven (produceren goederen en
diensten) -> via goederenmarkt -> consumenten
- Vergoeding voor gezinnen voor het ter beschikking stellen v productiefactoren =
inkomen
- Met inkomen goederen en diensten aankopen -> terug nr bedrijf
Besluitvormers: gezinnen (consumenten) en bedrijven (producten)
- Belangrijkste kenmerkt voor keuzes te maken: iedereen tracht om voor zichzelf een
zo groot mogelijk voordeel uit transacties te halen (nut en winst)
Basisideeën:
1. Economische agenten die keuzes maken
2. Economische agenten die in contante wisselwerking staan
Les 2 18/02
1.3 Basisprincipes van de economie
Keuzes maken en de kost ervan
- Mensen worden geconfronteerd met trade-offs (keuzeproblematiek)
- De kost van iets is wat je ervoor opgeeft (kwant)
- Rationele mensen denken in marginale termen
De wisselwerking tussen de verschillende economische agenten
, - Mensen reageren op stimulansen
- Markten zijn meestal goede manier om economische activiteit te organiseren
- Overheden kunnen in bepaalde gevallen marktsituatie verbeteren
1.3.1 Principe 1: mensen worden geconfronteerd met trade-offs
- Om iets te bekomen dat we wensen moeten we meestal iets anders dat we
waarderen opgeven -> afwegen van de ene wens tegenover de andere
“De meeste dingen in het leven zijn niet gratis”
• De meeste dingen in het leven hebben economisch karakter
• Om goed/dienst te verwerven geven we iets anders op -> keuzes maken soms pijnlijk
Vb:
- Defensie-uitgaven vs culturele uitgaven: overheid moet ook keuzes maken
- Efficiëntie vs billijkheid
▪ Efficiëntie: slaat op wat de samenleving max kan halen uit haar schaarse
middelen (met beschikbare middelen zoveel mogelijk creëren)
▪ Billijkheid: voordelen van die middelen worden fair verdeeld onder de leden
van de samenleving (rechtvaardigheid)
➔ Om beslissingen te nemen dient men belangen tov elkaar af te wegen
1.3.2 Principe 2: de kost van iets is wat je ervoor opgeeft
Voor nemen van beslissingen moeten kosten en opbrengsten van verschillende alternatieven
worden vergeleken
- Kiezen is verliezen
Vb: studeren of niet
Opportuniteitskost (van iets) = wat je opgeeft om het goed te verwerven
1.3.2 Voorbeeld
Belangrijke keuze bedrijven: betreffende de hoeveelheid goederen die ze zullen produceren,
gegeven de productiefactoren waarover ze beschikken
- Stel meerdere goederen produceren: beslissen hoeveel v elk product hij maakt met
de productiefactoren die hij voorhanden heeft -> keuze gepaard met welbepaalde
kost
Productiemogelijkheidscurve = grafische voorstelling v verschillende mogelijke
outputcombinaties gegeven een bepaalde productietechnologie en totale hoeveelheid
beschikbare productiefactoren
- Extreme situaties vormen de 2 eindpunten vd productiemogelijkheidcurve
- Alle beschikbare productiefactoren voor auto’s: 1000 auto’s + 0 computers
, - Alle beschikbare productiefactoren voor computers: 3000 computers + 0 auto’s
▪ Afgebogen: nodige producten steeds
minder nodig
▪ Lineair: verhouding v nodige producten
altijd gelijk
▪ Opportuniteitskost groter wnr op 1 goed
gericht
▪ Een economie kan produceren op of
onder ieder punt van de curve
▪ Ieder punt boven curve stelt combinatie
voor die eco niet kan produceren
• Situatie efficiënt indien economie de maximale output genereert gegeven de
beschikbare schaarse productiefactoren
- Ieder punt op de curve stel een efficiënt productieniveau voor
- VB PUNT A
• Situatie inefficiënt: eco produceert minder dan ze zou kunnen obv de totale
beschikbare hoeveelheid productiefactoren
- VB PUNT B
• Productiefactoren herverdelen: van punt A nr punt C; 100 auto’s opgeven voor 200
meer computers
- In punt A is opportuniteitskost v 200 computers gelijk aan 100 auto’s
▪ Uitwaartse verschuiving curve:
o Betere technologie = efficiënter zijn -> kunnen
aflezen
• A -> E: meer computers en meer auto’s
geproduceerd (efficiëntiewinst bij 1 ervan geboekt)
SAMENGEVAT: PRODUCTIEMOGELIJKHEIDSCURVE VEREENVOUDIGT HET COMPLEXE
ECONOMISCHE GEBEUREN IN DIE MATE DAT ENKELE ECONOMISCHE
BASISCONCEPTEN MOOI KUNNEN WORDEN VERHELDERD EN GEÏLLUSTREERD