Prelinguale fase 0-1 jaar
Er worden vier fasen onderscheiden:
• 1. Huilen: is het aanvankelijk uiten van echt onbehagen dat dan overgaat van onbewuste
klankvorming naar een primitief communicatiesignaal tussen baby en omgeving.
• 2. Vocaliseren: hier ontstaat tussen de zes en de acht weken de sociale glimlach en worden de eerste
klanken van welbehagen geuit. Tussen de vier en de zes maanden wordt er dan geëxperimenteerd in
verschillende mondstanden, die later resulteren in brabbelen.
• 3. Brabbelen: (vanaf zeven maanden): de articulatieorganen worden meer gebruikt en identieke
syllaben ontstaan, bijvoorbeeld: de-de-de, ma-ma-ma. De auditieve feedback is hier een belangrijke
factor.
• 4. Sociaal brabbelen: (vanaf acht maanden): het brabbelen krijgt een sociaal karakter. Er kan
gesproken worden van een beginnende zinsintonatie en een doelbewuste imitatie van de omgeving.
Indien deze intonatie ontbreekt kan dit wel eens duiden op een afwijkende taalontwikkeling. In deze
periode leert het kind taalspecifieke geluiden, die bij het foneemsysteem van een moedertaal horen.
De vroeglinguale periode (1;0 – 2;6 jaar)
Hier zijn drie fasen te onderscheiden:
• 1. De fase van de één-woordzin: rond de 15 à 16 maanden.
• 2. De fase van de twee-woordzin: rond 18 maanden
• 3. De fase van de meer-woordzinnen: er is een snelle overgang van 3 naar 4 en 5 woordzinnen. De
passieve woordenschat ontwikkelt zich sneller dan de actieve: het kind begrijpt meer dan het kan
zeggen.
De differentiatiefase ( 2;6 – 5;0 jaar)
• Hier vindt het grootste deel van de taalontwikkeling plaats, doordat de zinnen langer worden en de
grammatica zich ontwikkelt. (soms fysiologisch stotteren)
Fenomeen: overgeneralisatie
“ik keekte en die is afgebrookt”
De voltooiingsfase ( 5;0 – 9;0 jaar)
• Hier wordt de basis verder uitgewerkt, die in de vorige fasen werd gelegd. Dit zou moeten uitgroeien
in volwassen taal gebruik.