Leeftijdsindeling:
Ontwikkelingsfase: Leeftijd: Omgeving: Enkele kenmerken:
Babyperiode 0-12 maanden Gezin, kinderopvang - snelle groei en ontwikkeling
- geheel afhankelijk van zorg en bescherming
- eerste gehectheidsrelatie
Peuterperiode 1-4 jaar Gezin, kinderopvang, peuterspeelzaal - door beweging en spraak meer autonoom
- denkt en handelt nog egocentrisch
Kleuterperiode 4-6 jaar Gezin, groep 1-2 basisschool, buurt, - Sociale ontwikkeling neemt toe
naschoolse opvang - Speelt met veel fantasie
Schoolperiode 6 – 12 jaar Gezin, groep 3-8 basisschool, buurt, - Sociale contacten verbreden zich
naschoolse opvang, sport/hobby - cognitieve ontwikkeling staat centraal
Adolescentie 12 – 18 jaar Gezin, voortgezet onderwijs, - lichamelijke veranderingen door puberteit
leeftijdgenoten - begin seksuele belangstelling
- indentiteitsontwikkeling
Dwarsdoorsnede- en longintudinaal onderzoek:
Methode: Definitie: Voordelen: Nadelen:
Dwarsdoorsnede Op 1 tijdstip de Snel en goedkoop Bij groot leeftijdsverschil verwarring ontwikkelings- en cohorteffect;
meetresultaten van geen individuele ontwikkeling te traceren
groepen van verschillende
leeftijden vergelijken.
Bijvoorbeeld 4 en 6 jarige
Longitudinaal Op meerdere tijdstippen 1 Geen verwarring en Langdurig en duur’ uitval proefpersoon.
groep kinderen met ontwikkelings- en cohort
zichzelf vergelijken. effecten; individuele
Bijvoorbeeld meting van 4 ontwikkeling zichtbaar
jarigen na 2 jaar herhalen
, Stadium: Leeftijd: Denken door middel van: Vaardigheden: Beperkingen:
Sensomotorisch stadium 0 – 2 jaar Handelen - Objectpermanentie
- Eerste representaties
- Indirecte imitatie
Preoperationeel 2 -6 jaar Representaties/statisch - Toename Egocentrisme
stadium symboolgebruik Centratie
- Fantasie
- Taalontwikkeling
Concreet operationeel 6 -12 jaar Representaties/dynamisch - Mentale operaties Nog geen abstractie
stadium Maar concreet - Meerdere aspecten bij
een probleem
betrekken (i.t.t.
centratie)
Formeel operationeel Vanaf 12 jaar Representaties/dynamisch - Hypothetisch/deductief
stadium en abstract redeneren
- Abstractievermogen
De 4 cognitieve ontwikkelingsstadia van piaget
Kenmerken van temperamententtype:
Temperament: Regelmaat: Stemming: Aanpassing: Toenadering/ Intensiteit:
terugtrekking:
Moeilijk: 10% Ongregelmatig Negatief (huilt of Niet of langzaam Teruggetrokken Hoog
wordt driftig)
Gemakkelijk: 40% Regelmatig Opgewekt Vlot Toenaderend Mild
Langzame starter: Regelmatig Neutraal Langzaam Neutraal Mild
15%
Restgroep: 35%
Ontwikkelingsfase: Leeftijd: Omgeving: Enkele kenmerken:
Babyperiode 0-12 maanden Gezin, kinderopvang - snelle groei en ontwikkeling
- geheel afhankelijk van zorg en bescherming
- eerste gehectheidsrelatie
Peuterperiode 1-4 jaar Gezin, kinderopvang, peuterspeelzaal - door beweging en spraak meer autonoom
- denkt en handelt nog egocentrisch
Kleuterperiode 4-6 jaar Gezin, groep 1-2 basisschool, buurt, - Sociale ontwikkeling neemt toe
naschoolse opvang - Speelt met veel fantasie
Schoolperiode 6 – 12 jaar Gezin, groep 3-8 basisschool, buurt, - Sociale contacten verbreden zich
naschoolse opvang, sport/hobby - cognitieve ontwikkeling staat centraal
Adolescentie 12 – 18 jaar Gezin, voortgezet onderwijs, - lichamelijke veranderingen door puberteit
leeftijdgenoten - begin seksuele belangstelling
- indentiteitsontwikkeling
Dwarsdoorsnede- en longintudinaal onderzoek:
Methode: Definitie: Voordelen: Nadelen:
Dwarsdoorsnede Op 1 tijdstip de Snel en goedkoop Bij groot leeftijdsverschil verwarring ontwikkelings- en cohorteffect;
meetresultaten van geen individuele ontwikkeling te traceren
groepen van verschillende
leeftijden vergelijken.
Bijvoorbeeld 4 en 6 jarige
Longitudinaal Op meerdere tijdstippen 1 Geen verwarring en Langdurig en duur’ uitval proefpersoon.
groep kinderen met ontwikkelings- en cohort
zichzelf vergelijken. effecten; individuele
Bijvoorbeeld meting van 4 ontwikkeling zichtbaar
jarigen na 2 jaar herhalen
, Stadium: Leeftijd: Denken door middel van: Vaardigheden: Beperkingen:
Sensomotorisch stadium 0 – 2 jaar Handelen - Objectpermanentie
- Eerste representaties
- Indirecte imitatie
Preoperationeel 2 -6 jaar Representaties/statisch - Toename Egocentrisme
stadium symboolgebruik Centratie
- Fantasie
- Taalontwikkeling
Concreet operationeel 6 -12 jaar Representaties/dynamisch - Mentale operaties Nog geen abstractie
stadium Maar concreet - Meerdere aspecten bij
een probleem
betrekken (i.t.t.
centratie)
Formeel operationeel Vanaf 12 jaar Representaties/dynamisch - Hypothetisch/deductief
stadium en abstract redeneren
- Abstractievermogen
De 4 cognitieve ontwikkelingsstadia van piaget
Kenmerken van temperamententtype:
Temperament: Regelmaat: Stemming: Aanpassing: Toenadering/ Intensiteit:
terugtrekking:
Moeilijk: 10% Ongregelmatig Negatief (huilt of Niet of langzaam Teruggetrokken Hoog
wordt driftig)
Gemakkelijk: 40% Regelmatig Opgewekt Vlot Toenaderend Mild
Langzame starter: Regelmatig Neutraal Langzaam Neutraal Mild
15%
Restgroep: 35%