Inhoud
Week 1 .................................................................................................................................................... 2
Week 2 .................................................................................................................................................... 3
Week 3 .................................................................................................................................................... 5
Week 4 .................................................................................................................................................... 6
1
, Week 1
Als je kwalitatieve variabelen gebruikt, kan de decimalen in de variabele tabel op 0
Kwantitatieve variabelen = scale
Kwalitatieve variabelen = ordinal (= rangorde); nominal (=gender, opleiding ect)
Value alleen invullen voor kwalitatieve variabelen
Verschil input en target? ???
= laat het verschil zien tussen de label van een variabele en de input
Frequenties
1. Data view
2. Analyse
3. Discriptive statics
4. Frequencies
➢ Kies voor welke variabele
➢ Bij statistics = de gemiddelde, mediaan, SD
➢ Bij Charts = de grafieken
Compare means = groepen vergelijken bij 1 of meer statistische gegevens
➢ Handig voor grotere datasets
1. Analyse
2. Compare means
3. Means
➢ Dependent = kwantitatieve variabel (meetlint)
➢ Layer = groeps
Summaries = kan ook de variabele weergeven voor een specifieke variabele per groep
➢ Handig voor kleinere datasets
1. Analyse
2. Reports
3. Case summaries
➢ Variables = kwantitatief (meetlint)
➢ Grouping variables = iets met niet veel variabelen (vaak ordinaal of nominaal)
֎ Per grouping variabele een nieuwe erin doen
Voorbeelden variabelen
Participant = nominaal
Statisfied = ordinaal
Gender = nominaal
Performance beoordeling = scale
Goed kijken hoe je variabelen kan scheiden VB. Dutch male -> nationaliteit en gender
2