Begrippenlijst algemene psychologie
Begrippen
Latijnse vertaling
Hoofdstuk 1 : inleiding
1.1 een definitie van de psychologie
Psychologie = wetenschappelijke studie van het gedrag en de mentale activiteiten van het
individu.
1.2 wetenschappelijke psychologie en intuitieve mensenkennis
Objectiviteitsbeginsel = wetenschap dient te vertrekken van objectieve gegevens, van
vaststellingen die uit feiten zelf voortvloeien en die er ongeacht de waarnemer, steeds
hetzelfde uitzien.
Intersubjectiviteit = in hoeverre verschillende waarnemers onafhankelijk van elkaar tot
eenzelfde appreciatie komen.
Variabele = een kenmerk dat verschillende verschijningsvormen kan aannemen
Correlatie = drukt uit hoe de veranderingen in de ene variabele samenhangen met
veranderingen in de andere variabele
Nullcorrelatie = geen enkel verband tussen beide variabelen
Hoofdeffect = in hoeverre elk van de onafhankelijke variabelen apart een invloed heeft op de
afhankelijke variabele
Interactie – effect = het effect van de ene onafhankelijke variabele beinvloed wordt door de
andere
Falsificatie = valsheid van een bewering aantonen
Verificatie = aantonen dat een bewering ‘waar’ is
1.3 geschiedenis van de psychologie
Rationalisme = vooral de waarde van het logisch denken wordt beklemtoond
Empirisme = groot belang voor de zintuigelijke waarneming
Dualisme = scherp onderscheid maken tussen geest en materie
, Tabula rasa = onbeschreven blad ( john locke )
Psychofysica = wetenschappelijke instrumentarium gebruiken om nieuwe psychologische
problemen aan te pakken
Introspectie = letterlijk naar binnenkijken
Neobehaviorisme = een stroming die wel behavioristisch bleef in haar algemene
doelstellingen, maar die noodgedwongen een aantal wijzigingen moest aanbrengen in de
concrete uitwerking ervan
Ethologie = een specialiteit binnen de biologie die haar onderzoeksdomeinen uitbreidde om
er ook een aantal gedragskenmerekn in op te nemen die typsich lijken voor de soort
Fysiologische psychologie = hoe bepaalde hersenprocessen betrokken zijn bij
gedragsactiviteiten
Neuropsychologie = onderzoek van hersenletsels die aan de basis kunnen liggen van wat er
fout loopt in het gedrag ( ex. Afasie )
Psychofysiologie = focus ligt op het fysiologisch functioneren en hoe dat beinvloed en vaak
ontwricht kan worden door psychische factoren
Levenslooppsychologie = alle levensfasen worden onder de loep genomen
Sociale psychologie = bestudeer hoe het gedrag kan beinvloed worden door andere mensen
Klinische psychologie = hierbij ligt het accent op de zorg om individuen die problemen
ondervinden in hun prive situatie te begeleiden bij het zoeken naar een oplossing
Parapsychologie= de wetenschap van de paranormale verschijnselen
Hoofdstuk 2 : het zenuwstelsel
2.1 de bouwstenen van het zenuwstelsel
Zenuwcellen / neuronen = zijn verantwoordelijke voor het opvangen, integreren en
bewaren van informatie en het uitsturen van bevelen naar alle uithoeken van het lichaam
Steun- of gliacellen = neuronen op diverse manieren helpen bij de uitoefening van hun
informatieverwerkende taak
Celmembraan = hiermee zijn de neuronen aan de buitenkant omgeven
Celsap / cytoplasma = waterige oplossing waarin zich tal van celorgaantjes/organellen
bevinden
Begrippen
Latijnse vertaling
Hoofdstuk 1 : inleiding
1.1 een definitie van de psychologie
Psychologie = wetenschappelijke studie van het gedrag en de mentale activiteiten van het
individu.
1.2 wetenschappelijke psychologie en intuitieve mensenkennis
Objectiviteitsbeginsel = wetenschap dient te vertrekken van objectieve gegevens, van
vaststellingen die uit feiten zelf voortvloeien en die er ongeacht de waarnemer, steeds
hetzelfde uitzien.
Intersubjectiviteit = in hoeverre verschillende waarnemers onafhankelijk van elkaar tot
eenzelfde appreciatie komen.
Variabele = een kenmerk dat verschillende verschijningsvormen kan aannemen
Correlatie = drukt uit hoe de veranderingen in de ene variabele samenhangen met
veranderingen in de andere variabele
Nullcorrelatie = geen enkel verband tussen beide variabelen
Hoofdeffect = in hoeverre elk van de onafhankelijke variabelen apart een invloed heeft op de
afhankelijke variabele
Interactie – effect = het effect van de ene onafhankelijke variabele beinvloed wordt door de
andere
Falsificatie = valsheid van een bewering aantonen
Verificatie = aantonen dat een bewering ‘waar’ is
1.3 geschiedenis van de psychologie
Rationalisme = vooral de waarde van het logisch denken wordt beklemtoond
Empirisme = groot belang voor de zintuigelijke waarneming
Dualisme = scherp onderscheid maken tussen geest en materie
, Tabula rasa = onbeschreven blad ( john locke )
Psychofysica = wetenschappelijke instrumentarium gebruiken om nieuwe psychologische
problemen aan te pakken
Introspectie = letterlijk naar binnenkijken
Neobehaviorisme = een stroming die wel behavioristisch bleef in haar algemene
doelstellingen, maar die noodgedwongen een aantal wijzigingen moest aanbrengen in de
concrete uitwerking ervan
Ethologie = een specialiteit binnen de biologie die haar onderzoeksdomeinen uitbreidde om
er ook een aantal gedragskenmerekn in op te nemen die typsich lijken voor de soort
Fysiologische psychologie = hoe bepaalde hersenprocessen betrokken zijn bij
gedragsactiviteiten
Neuropsychologie = onderzoek van hersenletsels die aan de basis kunnen liggen van wat er
fout loopt in het gedrag ( ex. Afasie )
Psychofysiologie = focus ligt op het fysiologisch functioneren en hoe dat beinvloed en vaak
ontwricht kan worden door psychische factoren
Levenslooppsychologie = alle levensfasen worden onder de loep genomen
Sociale psychologie = bestudeer hoe het gedrag kan beinvloed worden door andere mensen
Klinische psychologie = hierbij ligt het accent op de zorg om individuen die problemen
ondervinden in hun prive situatie te begeleiden bij het zoeken naar een oplossing
Parapsychologie= de wetenschap van de paranormale verschijnselen
Hoofdstuk 2 : het zenuwstelsel
2.1 de bouwstenen van het zenuwstelsel
Zenuwcellen / neuronen = zijn verantwoordelijke voor het opvangen, integreren en
bewaren van informatie en het uitsturen van bevelen naar alle uithoeken van het lichaam
Steun- of gliacellen = neuronen op diverse manieren helpen bij de uitoefening van hun
informatieverwerkende taak
Celmembraan = hiermee zijn de neuronen aan de buitenkant omgeven
Celsap / cytoplasma = waterige oplossing waarin zich tal van celorgaantjes/organellen
bevinden