SPIJSVERTERING
SPIJSVERTERINGSENZYMEN
De rol van enzymen in het spijsverteringsproces
• Enzymen worden door het lichaam zelf aangemaakt uit eiwitten en bevinden zich in rauwe, onbewerkte
voeding.
• Ze zijn onmisbaar voor de spijsvertering
• Voedingsmiddelen afbreken tot voedingsstoffen + vertering van voedsel
• Ze komen voor in speeksel, maagsap, dunne darmsap en pancreassap.
Soorten
3 groepen:
1. Amylasen: deze splitsen de koolhydraten (amylum = zetmeel)
Bv.: lactase breekt lactose af tot galactose en glucose
2. Lipasen: deze helpen bij de vertering van vetten of lipiden
3. Proteïnasen: deze enzymen breken de eiwitten af
Bv.: trypsine, pepsine, protease, bromelaïne
• Gebrek aan bepaalde enzymen door stress, te weinig kauwen en te veel bewerkte en verhitte
voedingsmiddelen
→ spijsverteringsklachten: opgeblazen gevoel, winderigheid, maagklachten, moeilijke stoelgang,
lekkende darm en meer kans op voedselintoleranties.
• Voorkomen: zoveel mogelijk verse en rauwe groenten en fruit, volle granen, yoghurt, vis, peulvruchten en
mager vlees
• Oplossing: extra enzymen innemen als voedingssupplement: dierlijke (preparaten op basis van pancreatine)
of plantaardige enzymen (bromelaïne, papaïne en door fermentatie verkregen enzymen)
OVERZICHT SPIJSVERTERING
1. De mond of cavitas oris
→ Zintuigelijke prikkeling: zien en ruiken van voedsel = prikkel aan speekselklieren → produceren van speeksel
om de mond te bevochtigen en het voedsel beter te laten glijden
→ Amylase komt voor in het speeksel → afbraak van suikers tot korte suikerketens
2. Het slokdarmhoofd of pharynx
→ Het epiglottis wordt gesloten (= strottenklepje) zodat er geen voedsel in de longen terecht komt
→ Geen verdere vertering
3. De slokdarm of oesophagus
→ Hier zijn geen verteringsenzymen
aanwezig → geen verdere vertering, enkel een
mechanische werking
→ Voedsel verder naar de maag brengen via
de peristaltiek van de slokdarm: glad spierweefsel
duwt de voedselbrok verder: spierweefsel trekt
samen boven de voedsel (= constriction),
spierweefsel onder voedsel ontspant (= relaxation)
→ De bovenste spier van de maag opent zich
en de voedselbrok komt in de maag terecht
1
SPIJSVERTERINGSENZYMEN
De rol van enzymen in het spijsverteringsproces
• Enzymen worden door het lichaam zelf aangemaakt uit eiwitten en bevinden zich in rauwe, onbewerkte
voeding.
• Ze zijn onmisbaar voor de spijsvertering
• Voedingsmiddelen afbreken tot voedingsstoffen + vertering van voedsel
• Ze komen voor in speeksel, maagsap, dunne darmsap en pancreassap.
Soorten
3 groepen:
1. Amylasen: deze splitsen de koolhydraten (amylum = zetmeel)
Bv.: lactase breekt lactose af tot galactose en glucose
2. Lipasen: deze helpen bij de vertering van vetten of lipiden
3. Proteïnasen: deze enzymen breken de eiwitten af
Bv.: trypsine, pepsine, protease, bromelaïne
• Gebrek aan bepaalde enzymen door stress, te weinig kauwen en te veel bewerkte en verhitte
voedingsmiddelen
→ spijsverteringsklachten: opgeblazen gevoel, winderigheid, maagklachten, moeilijke stoelgang,
lekkende darm en meer kans op voedselintoleranties.
• Voorkomen: zoveel mogelijk verse en rauwe groenten en fruit, volle granen, yoghurt, vis, peulvruchten en
mager vlees
• Oplossing: extra enzymen innemen als voedingssupplement: dierlijke (preparaten op basis van pancreatine)
of plantaardige enzymen (bromelaïne, papaïne en door fermentatie verkregen enzymen)
OVERZICHT SPIJSVERTERING
1. De mond of cavitas oris
→ Zintuigelijke prikkeling: zien en ruiken van voedsel = prikkel aan speekselklieren → produceren van speeksel
om de mond te bevochtigen en het voedsel beter te laten glijden
→ Amylase komt voor in het speeksel → afbraak van suikers tot korte suikerketens
2. Het slokdarmhoofd of pharynx
→ Het epiglottis wordt gesloten (= strottenklepje) zodat er geen voedsel in de longen terecht komt
→ Geen verdere vertering
3. De slokdarm of oesophagus
→ Hier zijn geen verteringsenzymen
aanwezig → geen verdere vertering, enkel een
mechanische werking
→ Voedsel verder naar de maag brengen via
de peristaltiek van de slokdarm: glad spierweefsel
duwt de voedselbrok verder: spierweefsel trekt
samen boven de voedsel (= constriction),
spierweefsel onder voedsel ontspant (= relaxation)
→ De bovenste spier van de maag opent zich
en de voedselbrok komt in de maag terecht
1