Werkgroep 1
Zuigelingenperiode (0-1)
Studenten kennen de normale groei en motorische ontwikkeling van baby’s zoals behandeld
in het college;
Primative reflex (primatieve reflex):
- Grijpreflex
- Loopreflex
- Zuigreflex
- Zoekreflex
- Etc.
Postural reaction (houdingsreactie):
- Voor moteriek en vaardigheden
- Bijvoorbeeld evenwicht
De ontwikkeling van een baby loopt cranio-caudaal (= eerst controle hoofd en nek, dan romp, dan
bekken en dan benen).
Een aantal motorische ontwikkelingen:
- Grijpen:
- Omrollen:
1. Buikligpositie
2. Hoofd omhoog, armen meer strekken handen ondersteunen
3. Gebruik van benen
4. Beginnen met grijpen (kleiner steunvlak)
- Zitten:
- Evenwicht en houding wordt steeds beter om romp rechtop te houden
- Staan:
- Geen rotatie -> wel rotatie
- Met handen -> zonder handen
- Zijwaarts verplaatsen -> loslopen
1
, Studenten kennen de normale groei van baby’s, zodanig dat ze groeicurves kunnen
interpreteren aan de hand van een normering (o.a. SDS en TH);
Gewicht, lengte en hoofdomtrek:
- Groeit gemiddeld 150-175 gram per week.
- Geboortegewicht verdrievoudigt gemiddeld in een jaar tijd
- Lengte per jaar toe met 50%
- Hoofdomtrek groeit snel, ongeveer 1 millimeter per dag
De visus (gezichtsvermogen) ontwikkeld in de eerste weken snel:
- Zien nog geen contrasten
- Scherp zien is op 20 cm
- Kijken vooral naar gezichten
- Ogen groot ten opzichte van het gezicht
Gehoor:
- Neemt vooral hoge geluiden waar
- Vertrouwd met een menselijke stem, vooral de stem van moeder
- Muziek en zingen is belangrijk
Organen en systemen:
- Snelle hartslag en ademhaling
- Sluiting slokdarm en maag
- Immuunsysteem ontwikkeld
- Ontwikkeling zenuwstelsel (belangrijk voor de motorische- en psychosociale ontwikkeling)
Ontlastingspatroon:
- Wisselende kleur
- Zachte consistentie
De groei wordt inzichtelijk gemaakt in de groeicurve (voor elk kind uniek), deze heeft verschillende
normeringen:
- Standaard deviatie score (SDS) = aantal deviaties boven of onder de populaties.
- Target height (TH) = verwachte eindlengte op basis van de lengte van de ouders.
Dit word allemaal gedaan op het consultatiebureau, hier komen kinderen van 0 tot 4 jaar. Ze worden
hier bijvoorbeeld gemeten, gewogen en gevaccineerd.
2
, Studenten herkennen de kenmerken van goede communicatie op het consultatiebureau en
patiëntenvoorlichting;
Patiëntenvoorlichting en het bevorderen van zelfmanagement van de patiënt zijn niet simpelweg het
informeren van de patiënt, en ook meer dan het herhalen van de uitleg die je aan de patiënt hebt
gegeven of het uitreiken van een glanzende brochure. Patiëntenvoorlichting en het bevorderen van
zelfmanagement van de patiënt zijn wél: het aangaan van een samenwerkingsproces met de patiënt
waarin sprake is van wederzijdse participatie. Dit voorlichtings- en communicatieproces vraagt
gerichte klinische vaardigheden van verpleegkundigen.
Patiënten willen serieus genomen worden, goede uitleg en informatie krijgen. Zij willen niet steeds
hetzelfde verhaal hoeven vertellen aan elke nieuwe zorgverlener. En ze willen kunnen meebeslissen
over hun zorg en behandeling.
Door te weinig informatie te geven kan de patiënt zich angstiger kunnen voelen.
Studenten kunnen de informatievoorziening afstemmen op het niveau van de
gesprekspartner;
Niet iedere patiënt is in staat zijn gezondheidsprobleem actief te managen en als ‘kiezende
consument’ met zijn zelfmanagement om te gaan.
Er zijn ook verschillende soorten patiënten:
- Er zijn patiënten die gericht zijn op de uitkomsten, op de effecten van de zorg en die met
deze reden wisselen van zorgverlener.
- Er zijn ook patiënten die zijn gericht op vertrouwen en een goede zorgverlener-
patiëntrelatie. Als mensen ziek(er) en afhankelijk(er) worden, vallen zij eerder terug op
vertrouwen dan op een houding als mondige en kritische consument.
3