uy6666666666666666666662.1 De vorming van de Alpen
Het ontstaan van de Alpen
- Op de plek waar nu de Alpen liggen lag 100 miljoen jaar geleden een enorme tropische
zee. Lagen van resten van dode planten en dieren in deze zee veranderden in
sedimentgesteenten.
- Door endogene krachten zijn breuken in de aardkorst ontstaan. De schollen of platen die
hierdoor zijn ontstaan, bewegen. Ze kunnen uit elkaar bewegen, langs elkaar glijden en op
elkaar botsen. Bij het botsen ontstaan gebergten.
- Ongeveer 80 miljoen jaar geleden begon de plaat waarom Afrika ligt, maar het noorden te
bewegen. De sedimentgesteenten van de tropische zeebodem plooiden en braken. Zo’n 30
miljoen jaar geleden werden ze tegen Europa aan geduwd. Afrika schoof over de lagen
heen. Hierbij ontstonden de Alpen De Alpen zijn een voorbeeld van een plooiingsgebergte.
- de Alpen zijn een hooggebergte.
Verwering
- De Alpen zijn een jong gebergte. Jonge gebergten zijn hoog en hebben steile hellingen,
spitse bergtoppen en diepe dalen. Jonge gebergten worden afgebroken door exogene
krachten. Door verwering valt het gesteente uiteen. Het puin dat bij verwering ontstaan, heet
verweringsmateriaal.
- Kenmerk voor verwering is dat het afgebroken gesteente blijft liggen.
Erosie
- Het verweringsmateriaal wordt verder vervoerd door gletsjers, rivieren, de zee of de wind.
Tijdens dit transport vindt erosie, verdere afbraak van het landschap plaats.
- Als het meegevoerde materiaal ergens wordt neergelegd, is er sprake van sedimentatie.
2.2 Rivieren van ijs
Het ontstaan van gletsjers
- duizenden jaren geleden waren de Alpen bedekt met enorme gletsjers. Door de lagere
temperatuur was er sprake van een ijstijd of glaciaal.
- in een ijstijd valt veel neerslag in de vorm van sneeuw. Op de lagere delen in de bergen
heeft firn zich opgehoopt in een firnbekken. Dit is het begin van een gletsjer.
- De bovenkant van een gletsjer ziet er grauw uit. Dit komt door het stof en het puin
afkomstig van de bergwanden. Daar treedt mechanische verwering op. Zo ontstaan
zijmorenen en grondmorenen. Dit gletsjerpuin ligt onder het ijs. Aan het eind van de gletsjer
liggen de eindmorenen.
Het eind van een gletsjer
- Op weg naar het dal schuift de gletsjer het puin voor zich uit en treedt er erosie op. Zo
ontstaat uit en door een rivier gevormd V-dal een U-dal met steile wanden en een vlakke
bodem.
-laag in het dal zorgt het smeltwater onder in de gletsjer voor een gletsjertunnel. Bij de
gletsjerpoort komt het smeltwater naar buiten en vormt dan een gletsjerrivier.
Na de ijstijd
- Na de laatste ijstijd is de temperatuur gaan stijgen en zijn veel gletsjers gesmolten.
- Sporen in het landschap daarvan zijn eindmorenen die laten zien tot hoever de
gletsjertongen vroeger kwamen. Het smeltwater kwam terecht in vele meren.
- door klimaatverandering smelten de gletsjers nu versneld af.
Het ontstaan van de Alpen
- Op de plek waar nu de Alpen liggen lag 100 miljoen jaar geleden een enorme tropische
zee. Lagen van resten van dode planten en dieren in deze zee veranderden in
sedimentgesteenten.
- Door endogene krachten zijn breuken in de aardkorst ontstaan. De schollen of platen die
hierdoor zijn ontstaan, bewegen. Ze kunnen uit elkaar bewegen, langs elkaar glijden en op
elkaar botsen. Bij het botsen ontstaan gebergten.
- Ongeveer 80 miljoen jaar geleden begon de plaat waarom Afrika ligt, maar het noorden te
bewegen. De sedimentgesteenten van de tropische zeebodem plooiden en braken. Zo’n 30
miljoen jaar geleden werden ze tegen Europa aan geduwd. Afrika schoof over de lagen
heen. Hierbij ontstonden de Alpen De Alpen zijn een voorbeeld van een plooiingsgebergte.
- de Alpen zijn een hooggebergte.
Verwering
- De Alpen zijn een jong gebergte. Jonge gebergten zijn hoog en hebben steile hellingen,
spitse bergtoppen en diepe dalen. Jonge gebergten worden afgebroken door exogene
krachten. Door verwering valt het gesteente uiteen. Het puin dat bij verwering ontstaan, heet
verweringsmateriaal.
- Kenmerk voor verwering is dat het afgebroken gesteente blijft liggen.
Erosie
- Het verweringsmateriaal wordt verder vervoerd door gletsjers, rivieren, de zee of de wind.
Tijdens dit transport vindt erosie, verdere afbraak van het landschap plaats.
- Als het meegevoerde materiaal ergens wordt neergelegd, is er sprake van sedimentatie.
2.2 Rivieren van ijs
Het ontstaan van gletsjers
- duizenden jaren geleden waren de Alpen bedekt met enorme gletsjers. Door de lagere
temperatuur was er sprake van een ijstijd of glaciaal.
- in een ijstijd valt veel neerslag in de vorm van sneeuw. Op de lagere delen in de bergen
heeft firn zich opgehoopt in een firnbekken. Dit is het begin van een gletsjer.
- De bovenkant van een gletsjer ziet er grauw uit. Dit komt door het stof en het puin
afkomstig van de bergwanden. Daar treedt mechanische verwering op. Zo ontstaan
zijmorenen en grondmorenen. Dit gletsjerpuin ligt onder het ijs. Aan het eind van de gletsjer
liggen de eindmorenen.
Het eind van een gletsjer
- Op weg naar het dal schuift de gletsjer het puin voor zich uit en treedt er erosie op. Zo
ontstaat uit en door een rivier gevormd V-dal een U-dal met steile wanden en een vlakke
bodem.
-laag in het dal zorgt het smeltwater onder in de gletsjer voor een gletsjertunnel. Bij de
gletsjerpoort komt het smeltwater naar buiten en vormt dan een gletsjerrivier.
Na de ijstijd
- Na de laatste ijstijd is de temperatuur gaan stijgen en zijn veel gletsjers gesmolten.
- Sporen in het landschap daarvan zijn eindmorenen die laten zien tot hoever de
gletsjertongen vroeger kwamen. Het smeltwater kwam terecht in vele meren.
- door klimaatverandering smelten de gletsjers nu versneld af.