Saskia Ensel – 2022
Samenvatting: Hoorcolleges en
werkgroepen Introductie
Maatschappijwetenschappen (IMW).
Schooljaar 2022-2023
Inhoud
Hoorcollege 1: Introductie .......................................................................................................... 1
Hoorcollege 2: Sociologie en het historisch materialisme (Marx) ............................................. 2
Hoorcollege 3: Structureel functionalisme (Durkheim).............................................................. 5
Hoorcollege 4: Amerikaanse klassiekers: Parsons en Merton ................................................. 6
Hoorcollege 5: Interpretatief Individualisme (Weber) ................................................................ 8
Hoorcollege 6: Kritische theorie............................................................................................... 10
Hoorcollege 1: Introductie
• Sociologie is een wetenschap die zich richt op hoe mensen vormgeven aan hun leven.
o Vragen over: hoe wij met elkaar samenleven, welke invloed we op elkaar hebben
en hoe de omgeving waarin we wonen ons mogelijkheden biedt en beperkingen
geeft.
• Sociologie richt zich op de interactie en ontwikkeling van maatschappelijke structuren en
hoe deze macrostructuren en de organisatie van ons sociale leven vormgeven.
o En hoe deze structuren de keuzes en mogelijkheden voor individuen geven en
beperken
• Sociologie richt zich op individuen en hun interacties (microdynamics) en hoe die
beïnvloed worden door de context waarin zij zich begeven.
o En de keuzevrijheid (agency) die individuen daarbinnen gebruiken.
ONSTAAN VAN DE SOCIOLOGIE
Comté (1798-1857) was de grondlegger.
• Socius → medemens
• Logos → leer
Tijdens de verlichting/enlightement ontstond er een keerpunt waarbij wetenschappelijk
denken meer op de voorgrond kwam te staan. Kennis werd niet meer alleen gebaseerd op
religie, mythe of traditie, maar ratio werd belangrijker. Sociologie ontstond. Voordat
sociologie bestond werd er wel over de samenleving nagedacht, maar dan door filosofen.
Het positivisme (Comté)
Een benadering in de sociologie.
• Regels van de natuurwetenschappen toepassen, bijvoorbeeld bepaalde
regelmatigheden of wetten.
• Uitgangspunt moet zijn datgene dat waarneembaar is (empirisme). Zaken die we
waarnemen kunnen we verklaren door bepaalde wetmatigheden.
,Saskia Ensel – 2022
• De wetenschap is objectief
• Er wordt gewerkt met het WCE-model (wetmatigheden + condities = explanadum).
Voorbeeld:
W → naarmate er meer in de publieke gezondheidszorg wordt geïnvesteerd is de
levensverwachting van mensen hoger.
C → in rijke landen wordt er meer in publieke gezondheidszorg geïnvesteerd dan in arme
landen.
E → in rijke landen is de levensverwachting hoger dan in arme landen.
Interpretatieve benadering
Een andere stroming in de sociologie
• Het ontwerp van sociale wetenschappen betreft de mens en haar gedrag, wat niet te
vangen is in wetten. Mensen zijn te complex en kunnen dus niet objectief zijn.
• Een sociaal wetenschapper verhoudt zich anders tot zijn onderzoeksobject dan een
natuurwetenschapper.
Je hebt dus twee dominante (elkaar aanvullende) benaderingen:
1. Positivistisch = de werkelijkheid kunnen we waarnemen en meten met indicatoren. Met
statistiek kunnen we de relaties tussen kenmerken vaststellen.
2. Interpretatief = het verklaren van sociale fenomenen door het begrijpen van de
alledaagse gecontextualiseerde werkelijkheid.
Hoorcollege 2: Sociologie en het historisch materialisme (Marx)
Karl Marx was een grondlegger van de sociologie. Hij dacht veel na over de verschillen
tussen rijk en arm (ongelijkheid). Er waren enkele denkers over dit onderwerp voor Marx zijn
tijd:
• Hobbes (1588-1679) vond dat mensen hebzuchtig waren, de een bezit meer dan de
andere.
• Locke (1632-1704) had een positiever mensbeeld: mensen hebben een rationeel
eigenbelang en dit zal een positieve uitwerking hebben op het individueel welzijn en op
de samenleving als geheel.
• Smith (een econoom, 1723-1790) dacht dat het welvaart en dus het welzijn van een land
zou toenemen bij een vrije-markten-economie.
Marx hield zich bezig met het feit dat welvaart wel zou toenemen, maar niet evenveel voor
iedereen.
Historisch materialisme (theorie van Marx en Engels) = veranderingen in de wijze waarop
in het bestaan wordt voorzien, verklaren de loop van de geschiedenis. Marx zag de
geschiedenis als een ontwikkeling van materiële en economische processen.
Volgens Marx gaat de geschiedenis niet vlekkeloos vooruit. Elke historische gebeurtenis
wordt gekarakteriseerd door spanningen of tegenstellingen. Revolutie was volgens hem ook
, Saskia Ensel – 2022
de drijfveer van de geschiedenis. Hij noemde dit dialetic (to argue) materialism, wat
inhoudt dat bestaande materiële condities (thesis) zorgen voor oppositie (antithesis), wat
leidt tot een nieuw economisch systeem (synthesis). Bijvoorbeeld: klassenongelijkheid –
klassenopstand – communisme.
Het kapitalisme volgens Marx; er ontstaat een groeiende ongelijkheid door het kapitalisme:
• Kapitaalbezitters (de bourgeoisie) bezitten de productiemiddelen.
o Hun doel is het maken van winsten.
• De arbeidskrachten produceren goederen (en diensten) maar krijgen slecht betaald, op
deze manier ontstaat er winst voor de kapitaalbezitters.
o De arbeidskrachten vormen het proletariaat, zij worden uitgebuit.
o Er ontstaat een grotere ongelijkheid, de winsten stijgen terwijl de lonen laag
blijven.
o Wet van de kapitalistische accumulatie = de rijken worden rijker en de armen
worden armer.
Waarom betalen kapitaalbezitters dan zo weinig?
Het systeem waarin zij zich bevinden maakt dat ze uit zijn op zo hoog mogelijke winsten. Ze
willen geld om bijvoorbeeld te herinvesteren of om rijker te worden. Daarvoor moeten zij de
productiekosten van het product zo laag mogelijk houden. Ze kunnen dwang uitoefenen op
de arbeidskrachten door ze te vervangen voor arbeiders die zelfs minder accepteren. Deze
zullen er altijd zijn zolang er armoede is en een minimumloon ontbreekt.
Hedendaags kunnen arbeidskrachten ook vervangen worden door machines.
Voorspelling van Marx: de revolutie
Marx verondersteld dat de werkers geen makke schapen zullen blijven maar dat er class
consciousness zal plaatsvinden. De werkers worden zich bewust van hun positie en zullen
zich samenvoegen om (mogelijk met geweld) de revolutie aan te gaan. Na de revolutie zal er
een communistisch systeem ontstaan. Er is dan geen enkele klasse meer die controle heeft
over de productiemiddelen maar de hele bevolking zal controle hebben.
De mening van Marx: werk
Marx is niet tegen werken, maar hij is tegen de manier waarop werk in het kapitalistische
systeem vorm wordt gegeven. Fabriekswerkers hebben geen menswaardig bestaan.
Werk wordt alleen nog gezien als gebruikerswaarde:
• Commodificatie van werk = het tot een verhandelbaar goed maken van werk, de
creativiteit of menselijke component bestaat niet meer.
• Kapitaalbezitters betalen lonen (ruil-waarde van arbeid) maar de gebruikwaarde die
zij verdienen is hoger. Het verschil daartussen noemt Marx de surplus-waarde,
welke de winsten van de kapitaalbezitters vormen. Het gaat dus om het verschil
tussen de loon (exhange value) en de marktwaarde van de verrichte arbeid. Er is een
verschil tussen de use-value en exhange-value. Een werkgever betaalt een arbeider
voor 20 uur werk, maar krijgt hier de waarde van 40 uur werk voor terug.
Ook vindt Marx dat de vrije makt van het kapitalistische systeem een illusie is. Het zorgt voor
onderdrukking een uitbuiting. Zonder werk is er geen loon, mensen zijn dus genoodzaakt
slecht werk te accepteren. Het kapitalistische systeem creëert een vals bewust zijn. Het
zorgt ervoor dat wij geld en spullen associëren met geluk en vrijheid.
De arbeidsindeling
Het kapitalistische systeem zorgt voor vervreemding:
Samenvatting: Hoorcolleges en
werkgroepen Introductie
Maatschappijwetenschappen (IMW).
Schooljaar 2022-2023
Inhoud
Hoorcollege 1: Introductie .......................................................................................................... 1
Hoorcollege 2: Sociologie en het historisch materialisme (Marx) ............................................. 2
Hoorcollege 3: Structureel functionalisme (Durkheim).............................................................. 5
Hoorcollege 4: Amerikaanse klassiekers: Parsons en Merton ................................................. 6
Hoorcollege 5: Interpretatief Individualisme (Weber) ................................................................ 8
Hoorcollege 6: Kritische theorie............................................................................................... 10
Hoorcollege 1: Introductie
• Sociologie is een wetenschap die zich richt op hoe mensen vormgeven aan hun leven.
o Vragen over: hoe wij met elkaar samenleven, welke invloed we op elkaar hebben
en hoe de omgeving waarin we wonen ons mogelijkheden biedt en beperkingen
geeft.
• Sociologie richt zich op de interactie en ontwikkeling van maatschappelijke structuren en
hoe deze macrostructuren en de organisatie van ons sociale leven vormgeven.
o En hoe deze structuren de keuzes en mogelijkheden voor individuen geven en
beperken
• Sociologie richt zich op individuen en hun interacties (microdynamics) en hoe die
beïnvloed worden door de context waarin zij zich begeven.
o En de keuzevrijheid (agency) die individuen daarbinnen gebruiken.
ONSTAAN VAN DE SOCIOLOGIE
Comté (1798-1857) was de grondlegger.
• Socius → medemens
• Logos → leer
Tijdens de verlichting/enlightement ontstond er een keerpunt waarbij wetenschappelijk
denken meer op de voorgrond kwam te staan. Kennis werd niet meer alleen gebaseerd op
religie, mythe of traditie, maar ratio werd belangrijker. Sociologie ontstond. Voordat
sociologie bestond werd er wel over de samenleving nagedacht, maar dan door filosofen.
Het positivisme (Comté)
Een benadering in de sociologie.
• Regels van de natuurwetenschappen toepassen, bijvoorbeeld bepaalde
regelmatigheden of wetten.
• Uitgangspunt moet zijn datgene dat waarneembaar is (empirisme). Zaken die we
waarnemen kunnen we verklaren door bepaalde wetmatigheden.
,Saskia Ensel – 2022
• De wetenschap is objectief
• Er wordt gewerkt met het WCE-model (wetmatigheden + condities = explanadum).
Voorbeeld:
W → naarmate er meer in de publieke gezondheidszorg wordt geïnvesteerd is de
levensverwachting van mensen hoger.
C → in rijke landen wordt er meer in publieke gezondheidszorg geïnvesteerd dan in arme
landen.
E → in rijke landen is de levensverwachting hoger dan in arme landen.
Interpretatieve benadering
Een andere stroming in de sociologie
• Het ontwerp van sociale wetenschappen betreft de mens en haar gedrag, wat niet te
vangen is in wetten. Mensen zijn te complex en kunnen dus niet objectief zijn.
• Een sociaal wetenschapper verhoudt zich anders tot zijn onderzoeksobject dan een
natuurwetenschapper.
Je hebt dus twee dominante (elkaar aanvullende) benaderingen:
1. Positivistisch = de werkelijkheid kunnen we waarnemen en meten met indicatoren. Met
statistiek kunnen we de relaties tussen kenmerken vaststellen.
2. Interpretatief = het verklaren van sociale fenomenen door het begrijpen van de
alledaagse gecontextualiseerde werkelijkheid.
Hoorcollege 2: Sociologie en het historisch materialisme (Marx)
Karl Marx was een grondlegger van de sociologie. Hij dacht veel na over de verschillen
tussen rijk en arm (ongelijkheid). Er waren enkele denkers over dit onderwerp voor Marx zijn
tijd:
• Hobbes (1588-1679) vond dat mensen hebzuchtig waren, de een bezit meer dan de
andere.
• Locke (1632-1704) had een positiever mensbeeld: mensen hebben een rationeel
eigenbelang en dit zal een positieve uitwerking hebben op het individueel welzijn en op
de samenleving als geheel.
• Smith (een econoom, 1723-1790) dacht dat het welvaart en dus het welzijn van een land
zou toenemen bij een vrije-markten-economie.
Marx hield zich bezig met het feit dat welvaart wel zou toenemen, maar niet evenveel voor
iedereen.
Historisch materialisme (theorie van Marx en Engels) = veranderingen in de wijze waarop
in het bestaan wordt voorzien, verklaren de loop van de geschiedenis. Marx zag de
geschiedenis als een ontwikkeling van materiële en economische processen.
Volgens Marx gaat de geschiedenis niet vlekkeloos vooruit. Elke historische gebeurtenis
wordt gekarakteriseerd door spanningen of tegenstellingen. Revolutie was volgens hem ook
, Saskia Ensel – 2022
de drijfveer van de geschiedenis. Hij noemde dit dialetic (to argue) materialism, wat
inhoudt dat bestaande materiële condities (thesis) zorgen voor oppositie (antithesis), wat
leidt tot een nieuw economisch systeem (synthesis). Bijvoorbeeld: klassenongelijkheid –
klassenopstand – communisme.
Het kapitalisme volgens Marx; er ontstaat een groeiende ongelijkheid door het kapitalisme:
• Kapitaalbezitters (de bourgeoisie) bezitten de productiemiddelen.
o Hun doel is het maken van winsten.
• De arbeidskrachten produceren goederen (en diensten) maar krijgen slecht betaald, op
deze manier ontstaat er winst voor de kapitaalbezitters.
o De arbeidskrachten vormen het proletariaat, zij worden uitgebuit.
o Er ontstaat een grotere ongelijkheid, de winsten stijgen terwijl de lonen laag
blijven.
o Wet van de kapitalistische accumulatie = de rijken worden rijker en de armen
worden armer.
Waarom betalen kapitaalbezitters dan zo weinig?
Het systeem waarin zij zich bevinden maakt dat ze uit zijn op zo hoog mogelijke winsten. Ze
willen geld om bijvoorbeeld te herinvesteren of om rijker te worden. Daarvoor moeten zij de
productiekosten van het product zo laag mogelijk houden. Ze kunnen dwang uitoefenen op
de arbeidskrachten door ze te vervangen voor arbeiders die zelfs minder accepteren. Deze
zullen er altijd zijn zolang er armoede is en een minimumloon ontbreekt.
Hedendaags kunnen arbeidskrachten ook vervangen worden door machines.
Voorspelling van Marx: de revolutie
Marx verondersteld dat de werkers geen makke schapen zullen blijven maar dat er class
consciousness zal plaatsvinden. De werkers worden zich bewust van hun positie en zullen
zich samenvoegen om (mogelijk met geweld) de revolutie aan te gaan. Na de revolutie zal er
een communistisch systeem ontstaan. Er is dan geen enkele klasse meer die controle heeft
over de productiemiddelen maar de hele bevolking zal controle hebben.
De mening van Marx: werk
Marx is niet tegen werken, maar hij is tegen de manier waarop werk in het kapitalistische
systeem vorm wordt gegeven. Fabriekswerkers hebben geen menswaardig bestaan.
Werk wordt alleen nog gezien als gebruikerswaarde:
• Commodificatie van werk = het tot een verhandelbaar goed maken van werk, de
creativiteit of menselijke component bestaat niet meer.
• Kapitaalbezitters betalen lonen (ruil-waarde van arbeid) maar de gebruikwaarde die
zij verdienen is hoger. Het verschil daartussen noemt Marx de surplus-waarde,
welke de winsten van de kapitaalbezitters vormen. Het gaat dus om het verschil
tussen de loon (exhange value) en de marktwaarde van de verrichte arbeid. Er is een
verschil tussen de use-value en exhange-value. Een werkgever betaalt een arbeider
voor 20 uur werk, maar krijgt hier de waarde van 40 uur werk voor terug.
Ook vindt Marx dat de vrije makt van het kapitalistische systeem een illusie is. Het zorgt voor
onderdrukking een uitbuiting. Zonder werk is er geen loon, mensen zijn dus genoodzaakt
slecht werk te accepteren. Het kapitalistische systeem creëert een vals bewust zijn. Het
zorgt ervoor dat wij geld en spullen associëren met geluk en vrijheid.
De arbeidsindeling
Het kapitalistische systeem zorgt voor vervreemding: