Van organisme tot weefsel
LES 1
Ventraal = anterior
Dorsaal = posterior
Vena = ader
Arteria = slagader
Ganglion = zenuwknoop
Arcus = boog
Lichaamsholte opgedeeld in 4 lichaamsholten
1. Linker borstholte
2. Rechter borstholte
3. Pericardholte
4. Buikholte
Dubbelvlies tussen organen: verbinding tussen orgaan en lichaamswand. Het dubbelblad is de
ophangband en herin verlopen de verzorgende vaten en zenuwen naar het orgaan. Het deel van het
vlies dat de wand bekleedt en de ophangband vormt = parietaal. Orgaandeel = visceraal.
LES 2
Concepten levend organisme
- Opslag info in DNA
- Replicatie DNA tpr (templaat polymerisatie reactie)
- Eiwitten maken via RNA intermediair
- Eiwitten vervullen katalytische functies
- Energie nodig (ATP)
- Barrière om gesloten chemische omgeving te maken (plasmamembraan)
Organisme → orgaansysteem → orgaan → weefsel → cel → organel → molecuul
Orgaan: weefsels die samen een functie vervullen
Weefsel: gelijksoortige gedifferentieerde cellen
Weefsel
1. Materiaal dat buiten de cellen een matrix wordt
- Extracellulaire matrix
2. Mengsels van verschillende cellen
- Samenwerking en communicatie
- Samenhang door hechting aan elkaar of via matrix
3. Weefselvloeistof
- Voedingsstoffen/O2
- Afval/CO2
- Communicatie factoren
Patholoog:
1. Makkelijk aan materiaal te komen (biopten)
, 2. Veel kennis: gezond en ziek onderscheiden
3. Verhoudingen cellen en matrix kennen
Kleuren welke onderdelen normaal zijn en niet
4. Snel
Weefsels waardevol voor analyses
Bestuderen weefsel:
1. Acces specimen
2. Fixatie
3. Inbedding
4. Sectioning
5. Contrast kleuring
6. Door microscoop kijken
Bloedvat: erythrocyten met daarrond endotheelcellen
Kleuringen: AZAN, HE, PAS
Specifieke kleuringen: IHC = immuno histochemie
Fluorescentie microscopie:
1. ICC: specifieke componenten markeren bijvoorbeeld met antilichamen.
2. FISH: RNA/DNA markeren mbv complementaire nucleotide.
Cel = cytoplasma + kern + plasmamembraan
Cytoplasma = organellen + cytosol
Onderdelen cel:
1. Kern
2. Cytoplasma
3. Celgrens
Dynamiek
1. Hechting
2. Beweging
3. Deling
4. Groei
LES 3 VROEGONTWIKKELING
Bevruchte cel = zygote
Oocyt + zaadcel = zygote. 2 pronuclei.
Overgang embryo – foetus.
Verschil
- Foetus: individu is al af, heeft de juiste vorm en moet nog groter worden.
- Embryo: van bevruchte eicel tot organogenese. Moet nog ontwikkelen en alles aanleggen.
Sommige processen moeten nog tot en met de puberteit rijpen.
Klievingsdelingen en gastrulatie gaat het nu over.
Verschil vogel en zoogdier
- Bij vogel bevindt de ontwikkeling zich buiten het moederdier, in het ei plaats.
,Klievingsdelingen
Klievingsdelingen zoogdier
Eicel klieft doormidden. Morula: 4-5 dagen na bevruchting.
- Oligolecithaal: weinig dooier in de eicel. Dooier dient als voedingsstoffen. Niet veel in eicel
van zoogdier, want placenta zorgt voor voeding, dooier maar een beetje.
- Holoblastisch: door de hele cel vinden klievingsdelingen plaats.
- Equaal: gelijk, elke eicel splitst zich in 2 even grote stukken.
Klompje cellen = morula.
Vindt geen celgroei plaats, bolletje blijft even groot.
Klievingsdelingen vogel
- Polylecithaal: veel dooier
- Meroblastisch: delingen bevinden zich in een deel van de cel.
- Discoidaal: cellen ontwikkelen zich als een schijf.
- Ontwikkeling volledig kuiken duurt slechts 3 weken.
Blastulatie
Het ontstaan van een blastocyst: holte gevuld met vocht.
De cellen van de morula gaan zich herverdelen doordat het vocht naar binnen gaat.
Een deel gaat naar buiten en een deel naar binnen
Blastocyst bestaat uit 2 delen:
• Inner cel mass: vormen het embryo
• Trophectoderm/trofoblast: vormen de vruchtvliezen.
In dit stadium ontstaan de eerste lichaamsassen: dorso ventraal.
ICM zit met ventrale zijde gericht naar holte met vocht.
, Bij vogels ontstaat ook een holte met vocht onder het schijfje.
Cellen boven de holte krijgen een doorschijnend uiterlijk = area pellucida. Om de area pellucida zit
een rand met cellen, niet doorschijnend = area opaca.
• Area pellucida: vormt het embryo, dus eigenlijk de inner cell mass
• Area opaca: vormt de vruchtvliezen, dus eigenlijk het trofectoderm.
Het ICM gaat opdelen in 2 lagen: bilaminaire schijf.
1. Epiblast: bovenlaag, dorsale zijde.
2. Hypoblast: onderlaag, ventrale zijde.
De blastocyst gaat uittreden uit het blaasje. Zit een zona pellucida omheen. Gaat hieruit weg.
Gastrulatie
Epiblast → 3 kiembladen.
Ectoderm, mesoderm en endoderm.
Ectoderm: vormt de huid.
Mesoderm: grootte gedeelte
Endoderm: binnenste laag van darm en blaas
Cellen ondergaan verschillende gen expressies.
Inductie: cel-cel signalering.
LES 1
Ventraal = anterior
Dorsaal = posterior
Vena = ader
Arteria = slagader
Ganglion = zenuwknoop
Arcus = boog
Lichaamsholte opgedeeld in 4 lichaamsholten
1. Linker borstholte
2. Rechter borstholte
3. Pericardholte
4. Buikholte
Dubbelvlies tussen organen: verbinding tussen orgaan en lichaamswand. Het dubbelblad is de
ophangband en herin verlopen de verzorgende vaten en zenuwen naar het orgaan. Het deel van het
vlies dat de wand bekleedt en de ophangband vormt = parietaal. Orgaandeel = visceraal.
LES 2
Concepten levend organisme
- Opslag info in DNA
- Replicatie DNA tpr (templaat polymerisatie reactie)
- Eiwitten maken via RNA intermediair
- Eiwitten vervullen katalytische functies
- Energie nodig (ATP)
- Barrière om gesloten chemische omgeving te maken (plasmamembraan)
Organisme → orgaansysteem → orgaan → weefsel → cel → organel → molecuul
Orgaan: weefsels die samen een functie vervullen
Weefsel: gelijksoortige gedifferentieerde cellen
Weefsel
1. Materiaal dat buiten de cellen een matrix wordt
- Extracellulaire matrix
2. Mengsels van verschillende cellen
- Samenwerking en communicatie
- Samenhang door hechting aan elkaar of via matrix
3. Weefselvloeistof
- Voedingsstoffen/O2
- Afval/CO2
- Communicatie factoren
Patholoog:
1. Makkelijk aan materiaal te komen (biopten)
, 2. Veel kennis: gezond en ziek onderscheiden
3. Verhoudingen cellen en matrix kennen
Kleuren welke onderdelen normaal zijn en niet
4. Snel
Weefsels waardevol voor analyses
Bestuderen weefsel:
1. Acces specimen
2. Fixatie
3. Inbedding
4. Sectioning
5. Contrast kleuring
6. Door microscoop kijken
Bloedvat: erythrocyten met daarrond endotheelcellen
Kleuringen: AZAN, HE, PAS
Specifieke kleuringen: IHC = immuno histochemie
Fluorescentie microscopie:
1. ICC: specifieke componenten markeren bijvoorbeeld met antilichamen.
2. FISH: RNA/DNA markeren mbv complementaire nucleotide.
Cel = cytoplasma + kern + plasmamembraan
Cytoplasma = organellen + cytosol
Onderdelen cel:
1. Kern
2. Cytoplasma
3. Celgrens
Dynamiek
1. Hechting
2. Beweging
3. Deling
4. Groei
LES 3 VROEGONTWIKKELING
Bevruchte cel = zygote
Oocyt + zaadcel = zygote. 2 pronuclei.
Overgang embryo – foetus.
Verschil
- Foetus: individu is al af, heeft de juiste vorm en moet nog groter worden.
- Embryo: van bevruchte eicel tot organogenese. Moet nog ontwikkelen en alles aanleggen.
Sommige processen moeten nog tot en met de puberteit rijpen.
Klievingsdelingen en gastrulatie gaat het nu over.
Verschil vogel en zoogdier
- Bij vogel bevindt de ontwikkeling zich buiten het moederdier, in het ei plaats.
,Klievingsdelingen
Klievingsdelingen zoogdier
Eicel klieft doormidden. Morula: 4-5 dagen na bevruchting.
- Oligolecithaal: weinig dooier in de eicel. Dooier dient als voedingsstoffen. Niet veel in eicel
van zoogdier, want placenta zorgt voor voeding, dooier maar een beetje.
- Holoblastisch: door de hele cel vinden klievingsdelingen plaats.
- Equaal: gelijk, elke eicel splitst zich in 2 even grote stukken.
Klompje cellen = morula.
Vindt geen celgroei plaats, bolletje blijft even groot.
Klievingsdelingen vogel
- Polylecithaal: veel dooier
- Meroblastisch: delingen bevinden zich in een deel van de cel.
- Discoidaal: cellen ontwikkelen zich als een schijf.
- Ontwikkeling volledig kuiken duurt slechts 3 weken.
Blastulatie
Het ontstaan van een blastocyst: holte gevuld met vocht.
De cellen van de morula gaan zich herverdelen doordat het vocht naar binnen gaat.
Een deel gaat naar buiten en een deel naar binnen
Blastocyst bestaat uit 2 delen:
• Inner cel mass: vormen het embryo
• Trophectoderm/trofoblast: vormen de vruchtvliezen.
In dit stadium ontstaan de eerste lichaamsassen: dorso ventraal.
ICM zit met ventrale zijde gericht naar holte met vocht.
, Bij vogels ontstaat ook een holte met vocht onder het schijfje.
Cellen boven de holte krijgen een doorschijnend uiterlijk = area pellucida. Om de area pellucida zit
een rand met cellen, niet doorschijnend = area opaca.
• Area pellucida: vormt het embryo, dus eigenlijk de inner cell mass
• Area opaca: vormt de vruchtvliezen, dus eigenlijk het trofectoderm.
Het ICM gaat opdelen in 2 lagen: bilaminaire schijf.
1. Epiblast: bovenlaag, dorsale zijde.
2. Hypoblast: onderlaag, ventrale zijde.
De blastocyst gaat uittreden uit het blaasje. Zit een zona pellucida omheen. Gaat hieruit weg.
Gastrulatie
Epiblast → 3 kiembladen.
Ectoderm, mesoderm en endoderm.
Ectoderm: vormt de huid.
Mesoderm: grootte gedeelte
Endoderm: binnenste laag van darm en blaas
Cellen ondergaan verschillende gen expressies.
Inductie: cel-cel signalering.