Lezen is een bijzondere vaardigheid die oefening vereist. Omschrijving: ‘leren omgaan met
economisch woordgebruik.’
Winst en nettoresultaat zijn synoniemen voor operationele winst.
Het achterhalen van begrippen op 2 manieren:
1. Rekenkundige weg: “uit cijfers moeten blijken dat” (met cijfers kan je een term
achterhalen).
2. Taalkundige weg (met woorden kan je een term achterhalen).
Bedrijfseconomie: is vaak een samenspel van redeneren en rekenen. woorden zijn nodig
om berekeningen te ondersteunen en berekeningen zijn nodig om te achterhalen wat een
schrijver in een bepaalde situatie bedoelt met een bepaalt woord.
! Belangrijk kenmerk van de bedrijfseconomische manier van denken!
Referentiekaders: geven structuur aan je gedachten en stellen je in staat om samenhang te
ontdekken tussen allerlei schijnbaar toevallige gebeurtenissen.
1.2 Typen van bedrijven
Handelsbedrijven: hebben tot doel om winst te maken door goederen in te kopen en te
verkopen. Er wordt niks aan de goederen zelf veranderd, er wordt alleen gezorgd voor
verspreiding over landen of regio’s. Grote partijen goederen worden opgesplitst in kleine
partijen of enkele stuks.
Winkeliers: kopen goederen in bij de groothandel per doos of per partij.
Groothandelaar: koopt goederen in bij de fabrikant in binnen- of buitenland en zorgt voor
transport naar winkeliers. Beloning voor handelaar is winst maken.
Industriële bedrijven: hebben als doel winst maken door grondstoffen om te vormen tot
producten die geschikt zijn voor consumptie. Het kan ook voorkomen dat een bedrijf
goederen maakt die door andere bedrijven worden gekocht om ze te gebruiken bij het
maken van consumptiegoederen.
Productie: als iemand iets koopt of maakt met het doel om het weer te verkopen en er geld
aan over te houden.
Produceren is ook te omschrijven als het ‘toevoegen van waarde’: als ondernemer op
maatschappelijk verantwoorde wijze bezig is, zal de waarde van product tijdens
productieproces toenemen.
Binnen de industrie verschillende typen van bedrijven:
1. Stukproductie (systeem van een bedrijf): bedrijven die op bestelling een bepaald product
leveren, zoals een luxe jacht.
2.Massaproductie (systeem van een bedrijf): bedrijven die identieke eenheden producten
maken.
1
,3.Homogene massaproductie: als een bedrijf of een onderdeel van een bedrijf slechts één
soort product in massa produceert.
4.Heterogene massaproductie: als een bedrijf een aantal producten in massa maakt.
Ondernemingen: bedrijven die gericht zijn op het maken van winst.
Bedrijfseconomie beschrijft vooral de werking van bedrijven die gericht zijn op het maken
van winst.
Zgn non-profit organisaties: zoals overheidslichamen (bv. Ministeries), overheidsbedrijven
(bv. waterleidingbedrijven en vervoersbedrijven), verenigingen en stichtingen.
1.3 De maatschappelijke productie
Maatschappelijke productie: alle bedrijven, stichtingen en overheidsorganisaties bij elkaar.
CBS maakt jaarlijks berekening van totale productie in NL die productie komt tot stand in
diverse sectoren van de NL economie. De agrarische-, industriële- en commerciële
dienstverlening en de overheid brengen goederen en diensten voort.
Bedrijfskolom: is een keten van bedrijven, waarbij elk bedrijf een of meer bewerkingsfasen
uitvoert bij de totstandkoming van een product.
Bijvoorbeeld 1: bedrijven die elk bijdragen aan de productie van brood. (van boer met meel
tot aan de bakker die brood bakt).
Bijvoorbeeld 2 van bedrijfskolom van huishoudelijke artikelen zoals pannen: voordat een
fabriek pannen kan maken is er veel vooraf gegaan eerst zijn er bedrijven die ijzererts en
steenkool winnen, dan zijn er bedrijven die ijzer en staal bereiden. Daarnaast zijn er
bedrijven die voor vervoer van grondstoffen en de halffabricaten zorgen.
Het CBS rekent bij vaststelling van maatschappelijk productie de leveranties (levering) niet
mee tussen de bedrijven om dubbeltelling te voorkomen. Ze berekenen alleen wijzigingen in
voorraden en toename van waarde van machinepark, dit wordt opgenomen in
maatschappelijke productie.
1.4 Bedrijfseconomie als samenspel van disciplines
Bedrijfseconomie: samenstel van disciplines. Omvat verschillende onderdelen zoals
kostenberekening, financiering, boekhouden en commerciële calculaties.
Het vak is ontstaan uit samenvoeging van redeneringen en theorieën uit de praktijk.
Homoniemen: woorden met meer betekenissen.
Context: tekst die eromheen staat.
Synoniemen: twee verschillende woorden dezelfde betekenis hebben.
Kosten kan slaan op een normbedrag (toegestane kosten) of op de lasten (werkelijke
kosten). Als het er niet bij staat uit de context halen.
Natuurlijke begrippen: ze zijn te omschrijven en met voorbeelden te illustreren, zoals stoel
en politiek. Ze verwijzen naar waarneembare objecten of gebeurtenissen. Ze kunnen niet
berekend worden.
2
,Grootheden: (kunnen berekend worden) hebben een notitie, een naam, een waarde en een
dimensie.
Notitie: geeft de bedoeling weer die men heeft bij het gebruik van de grootheid.
Naam: is vaak in algemene woorden te omschrijven (zie definitie nettowinst).
Nettowinst van een handelsbedrijf: bedrag dat een ondernemer na afloop van een jaar vrij
kan besteden zonder dat het vermogen van de onderneming wordt aangepast.
Waarde van een grootheid: is een getal dat bij de aanvraag van een economisch probleem al
bekend is of dat nog berekend moet worden.
Om berekeningen uit te voeren zijn handelingsvoorschriften nodig.
Handelingsvoorschriften: dat wil zeggen dat voorschriften hoe een bepaalde grootheid in
een bepaalde situatie uit andere grootheden is te berekenen.
Het handelingsvoorschrift voor de berekeningen van nettowinst van een handelsbedrijf=
brutowinst – totale bedrijfskosten.
Dimensie: geeft de eenheid aan waardoor een grootheid betekenis krijgt. Bijvoorbeeld: de
nettowinst is meestal in euro’s- per jaar of per kwartaal uitgedrukt, maar eigenlijk in euro’s
per periode.
Dimensies worden soms niet aangegeven, je moet dan zelf bedenken welke dimensie erbij
hoort.
In de bedrijfseconomie wordt er veelvuldig gebruik gemaakt van Amerikaanse literatuur
waardoor anglicismen ontstaan.
Anglicismen: termen die directe verbasteringen zijn van gangbare Engelse of Amerikaanse
woorden, zoals ‘break even’ en ‘direct costing.
1.5 Jongleren met de tijd
Belangrijke vaardigheid bedrijfseconomen: ‘jong leren met de tijd’.
Planning: bedrijven maken vooraf een planning van de activiteiten die zij gaan uitvoeren en
kijken achteraf of de planning is uitgekomen. Bv. vooraf wordt er een schatting van
ontvangsten en uitgaven en kijken achteraf of de werkelijke bedragen afwijken van de
verwachtingen.
Andere manier van ‘jong leren met de tijd’ is als bedrijfseconomen gebruik maken van ‘als…
dan…’ redenering. Bijvoorbeeld: ‘Als ik 10% meer eenheden product ga verkopen en ik maak
dezelfde kosten, hoeveel zal ik dan verdienen?’
Wenbaarheid van berekeningen: als een onderneming een redenering omdraait. De
ondernemer kan zich tot doel stellen om een bepaalde winst te behalen en zich afvragen
hoe hoog de prijs moet zijn om het doel te bereiken. “Hoe hoog zal mijn winst zijn als ik de
prijs stel op €…?”
Werkwoorden zal, zou en had die je attenderen op ‘als…dan… redeneringen’.
1.6 Bedrijfseconomie en algemene economie
Micro- economie: houdt zich bezig met de manier hoe bedrijven functioneren. (verband
bedrijfseconomie en algemene economie).
3
, Verschillen bedrijfseconomie en algemene economie:
Micro- economen nemen aan dat een ondernemer volledig op de hoogte is van alle
ontwikkelingen op de markt: perfect foresight. In de werkelijkheid gebeurt dit niet, want dan
gaat het erom dat een ondernemer juist niet weet wat er te gebeuren staat.
Bedrijfseconomie zit dichter bij de praktijk, het gaat om de verschillen tussen de schattingen
en de werkelijke uitkomsten.
Berekening winst vanuit algemene economie: totale winst= totale opbrengsten- totale
kosten.
Er zijn 2 betekenissen van de definitie winst, namelijk:
1. Economen maken onderscheid tussen ‘winst’ en ‘verlies’, waarbij winst als een positief
getal overblijft en verlies met een negatief getal.
2.Dit is weergegeven in de handige formule die algemeen geldig is (bovenstaande formule).
Hier wordt met ‘winst’ het bedrijfsresultaat bedoeld, ongeacht of de vraag positief of
negatief is. Bedrijven maken dus altijd winst bij deze formule.
Handelsbedrijven willen niet alleen uiteindelijke winst berekenen, maar ook zijn brutowinst.
Als de inkoopwaarde van de omzet gerekend wordt tot de totale kosten van een bedrijf, kan
de brutowinst niet meer berekend worden.
Een belangrijke doelstelling van het bedrijfseconomische onderwijs is: leren omgaan met
‘economisch woordgebruik’.
Module 2
2.1 Kenmerken van handelsondernemingen
Handelsondernemingen: zijn bedrijven die zich beperken tot het kopen en verkopen van
goederen.
Echte handelsbedrijven brengen geen veranderingen aan het product dat zij verhandelen.
Eventueel veranderen zij de verpakking en splitsen grote partijen in kleinere eenheden of
voegen kleine partijen samen tot grotere eenheden.
Er zijn 2 soorten handelsbedrijven:
1. Detailhandel: levert producten aan de consumenten.
In de Detailhandel kun je onderscheid maken tussen postorderbedrijven (verzendhuis),
grootwinkelbedrijven (handelscentrum) en kleinhandel (Bijv. winkeliers en tankstations).
2. Groothandel: dit zijn handelsbedrijven die alleen aan winkels en productiebedrijven
leveren. Veel winkeliers kopen hun goederen bij de groothandel. Een groothandel verkoopt
geen goederen rechtstreeks aan de consumenten.
Cash and Carry: Een winkel waar de klant goederen in een grootverpakking koopt, contact
betaalt en zelf meeneemt.
4