Hier vind je alle begrippen van het boek vakman-leidinggeven niveau 4. Ik heb
alle begrippen in begrijpelijke taal neergezet en zo nodig met voorbeelden.
Schrik niet van het aantal pagina’s ik heb meerdere afbeeldingen toegevoegd,
zodat de stof duidelijk te begrijpen is.
Ik hoop dat jullie er wat aan hebben, mocht je nog vragen hebben stel ze dan
gerust.
1
,Inhoud
Hoofdstuk 1 organisatie en planning....................................................................3
Hoofdstuk 2 leiderschap........................................................................................7
Hoofdstuk 3 communicatie.................................................................................12
Hoofdstuk 4 operationeel leidinggeven..............................................................17
Hoofdstuk 5 samenwerken.................................................................................22
Hoofdstuk 6 projectmanagement.......................................................................26
2
, Hoofdstuk 1 organisatie en planning
Adhocratie cultuur: Een bedrijfscultuur met veel flexibiliteit en vrijheid, maar
gericht op extern. Voorbeelden van deze cultuur zijn onderzoeksorganisaties en
bedrijven in de creatieve dienstverlening. Hieronder heb ik de afbeelding
toegevoegd voor meer verduidelijking.
Arbeidsproductiviteit: De omzet per medewerker per tijdseenheid. Dit kan je
berekenen door de omzet : het aantal medewerkers te doen.
Beheers gerichte cultuur: Een rolcultuur
Familiecultuur: Een cultuur met veel flexibiliteit en vrijheid, en een interne
focus. Voorbeelden van deze cultuur zijn: Startende en kleine ondernemingen.
FIT: Situatie waarbij er precies evenveel vraag als aanbod is.
FTE: Staat voor Fulltime equivalent
Hiërarchiecultuur: Cultuur met veel stabiliteit en beheersbaarheid, en een
interne focus. Voorbeelden van deze cultuur zijn: De gemeente, een
ziekenhuis of een fabriek.
Kwaliteitscirkel van Deming: PDCA-cyclus en ander woord voor deze cyclus is
een kwaliteitscyclus of een regelkring
3
, PDCA-cyclus: Een regelkring waarmee je activiteiten plant, controleert en
bijstuurt op basis van het beoogde resultaat. De afkorting staat voor Plan, Do,
Check, Act.
Marktcultuur: Een cultuur met veel stabiliteit en beheersbaarheid en een
externe focus. Voorbeelden van deze cultuur zijn: De commerciële handelen,
verzekeringsbedrijven en banken.
Missie: Een beschrijving van de hoogste doelstelling van de organisatie. Het
geeft aan welke functie de organisatie heeft, waarom het bestaat en welke
waarden met belangrijk vindt.
4