3 basisbegrippen:
Vooroordelen = vijandige of negatieve attitudes tegenover een onderscheidbare groep
mensen, puur gebaseerd op hun lidmaatschap van die groep.
Stereotypering = generalisatie over een groep mensen waarin vrijwel alle leden van de groep
identieke kenmerken krijgen toebedeeld, ongeacht de daadwerkelijke verschillen tussen de
leden.
Discriminatie = een ongerechtvaardigde, negatieve en/of schadelijke actie die gericht is tegen
leden van een groep puur omdat ze lid zijn van die groep.
1. Opbouw van vooroordelen
De affectieve component: emoties
o Kan positief of negatief zijn, maar meestal gebruiken ‘vooroordeel’ in de negatieve zin.
De cognitieve component: stereotypen
o Ons brein maakt categorieën aan om de omgeving te structureren en te vereenvoudigen
wet van de minste inspanning:
o Stereotypen koppelen ook waarden en normen aan de categorieën.
o Kan nuttig zijn als het gebaseerd is op ervaring en een accurate karakterisering MAAR als
het blind maakt voor individuele verschillen oneerlijk en beledigend.
o Positief stereotype kan ook schadelijk zijn omdat je ook dan de individualiteit negeert.
o Falen van de logica: blijven vasthouden aan shcema’s.
o Genderstereotypen
Ongefundeerd
Vijandig seksisme en wilwillend seksisme beide denigrerend
De gedragsmatige component: discriminatie
o Stereotypen omzetten in gedrag
o Overduidelijk of subtiel
o Vooroordelen liggen net onder de oppervlakte op de loer en worden geactiveerd als er
negatieve emoties zijn of de eigenwaarde in het gedrang komt (bv. gastarbeiders pas
discrimineren als eigen job onzeker wordt).
2. Achtergrond van vooroordelen
Biologische basis: evolutionair overlevingsmechanisme om eigen familie en buitenstaanders te
onderscheiden MAAR we zijn ook coöperatief en vriendelijk als mens dus:
o Vooroordelen kan je aan- en afleren en worden vaak overgenomen van de omgeving
(ouders, familie, vrienden, …).
Normatieve regels:
o Normatief conformisme = de neiging om je aan te sluiten bij de mening van de groep om
aan de verwachtingen van die groep te voldoen en geaccepteerd te worden.
o Institutionele discriminatie = praktijken waarbij minderheden legaal dan wel illegaal
worden gediscrimineerd op grond van etniciteit, sekse, cultuur, leeftijd, seksuele
oriëntatie of andere kenmerken.