Survey:
- Beschrijven of verklaren van sociale verschijnselen
Verdeling van verschijnselen in de maatschappij (studeren, werkloosheid,
armoede)
Kenmerken personen (opleidingsniveau, inkomen, leeftijd)
Gedrag (drugs, kijktijd Netflix)
Meningen of wensen
- Vragen stellen Modus van afname:
- Groot aantal respondenten - Interviewer
- Grote mate van standaardisatie, want: o Persoonlijk
Zelfde meting voor iedereen o Telefonisch
Vragenlijst - Schriftelijk → langzaam
Modus van afname - E-mail
- Websurvey → snel
Relatief onderzoek:
- Uitgelokt gedrag → gevolgen antwoorden
- Onderzoekers vragen de respondenten iets te doen
Meetmomenten:
1. Eenmalig → cross-sectioneel
2. Herhaald → longitudinaal
o Dezelfde vragen
o Verschillende respondenten
3. Trendsurvey
o Herhaald cross-sectioneel
o Groepsniveau → andere respondenten
4. Panelsurvey
o Dezelfde vragen
o Dezelfde respondenten Verschillende soorten variabele:
o Veranderingen op individueel niveau - Manifest
o Direct waarneembaar
Verschillende soorten vragen: o Geslacht, leeftijd
1. Open vragen - Latent
o Zonder antwoordmogelijkheden o Niet direct waarneembaar
o Favoriete Tv-programma o Gevoelens, meningen
o Geen sturing o Concept kan meerdere
o Coderen is veel werk aspecten omvatten
2. Gesloten vragen
o Makkelijk voor de respondent
o Makkelijk voor data-invoer
o Beïnvloeding voor antwoordopties
Semantische differentiaal
Semantisch = woorden / betekenis
Differentiaal = onderscheid
Woorden die het concept omschrijven
Duur – 1 – 2 – 3 - 4 – 5 – goedkoop
Likert-schaal → interval meetniveau
Oneens tot eens
Een stelling voorleggen
,Goede vragen? Responsvertekening:
Taalgebruik moet passen bij de doelgroep - Sociale wenselijkheid
Geen multi-interpretabele vragen - Respondent antwoord niet oprecht
o Zo concreet mogelijk - Geen valide antwoord
Geen double barreled vraag - Vooral bij gevoelige onderwerpen
o 2 vragen in 1 vraag - Verwachting van de maatschappij
o 1 vraag per stelling (peer group)
Neutrale vragen zonder sturing - Sterker bij gebruik van interviewer
Vermijd dubbele ontkenning
Leid gevoelige onderwerpen in Oplossing:
Korte en duidelijke vragen - Minder beladen maken
Relevante vragen voor de respondent - Garandeer anonimiteit
o Routing - Gebruik geen interviewer
o Afhaken voorkomen
Goede antwoordmogelijkheden?
Antwoorden sluiten aan bij de vraag
Antwoorden zijn duidelijk interpreteerbaar
Exhaustive → alle relevante antwoorden zijn meegenomen
Mutually exclusive → antwoorden sluiten elkaar uit
Verschillende soorten validiteit:
1. Meet-/construct validiteit
Kwaliteit van je meting
Complexe begrippen: dekt de vraag het concept geheel?
Weglaten van vragen / slechte vragen bedreigen meetvaliditeit
2. Externe validiteit
Generaliseerbaarheid van onderzoek
Zijn de omstandigheden generaliseerbaar?
Is de steekproef representatief?
3. Interne validiteit
Kwaliteit van je onderzoeksdesign
Alternatieve verklaringen?
Ben je zeker over je conclusies?
Vaak laag → schijnrelaties
Interne consistentie meting:
- Samenhang binnen je meting
- Test-hertest betrouwbaarheid
o Consistentie van twee gelijke metingen op verschillende momenten
- Test-paralleltest betrouwbaarheid
o Consistentie van twee verschillende metingen op hetzelfde moment
- Split-half betrouwbaarheid
o Consistentie van twee helften van metingen op verschillende momenten
Populatievaliditeit:
- Hoog → goede steekproef
Weerspiegelt de populatie op bepaalde kenmerken
- Populatie operationalisering → selecteer meer mensen dan nodig (non-respons)
o Tieners 12 t/m 18 jaar
o Doel: tieners
, Steekproefkader:
Onderdekking: niet iedereen zit in je steekproefkader
Overdekking: je steekproefkader bevat mensen die er niet in horen
Verschillende soorten steekproeven:
1. Enkelvoudige aselecte steekproef
o Per toeval/random een steekproef trekken
o Iedereen heeft evenveel kans om in steekproef te komen
Representativiteit hoog → niet altijd haalbaar
2. Systematische steekproef
o Gehele steekproefkader als nummer: 1, 2, 3 etc.
o Kies een random startpunt
o Steekproef afnemen na elke 3 eenheden
3. Gestratificeerde steekproef
o Populatie in strata verdelen
o Random selectie eenheden uit strata
Bijvoorbeeld steeds 15% uit werkgroepen
o Nuttig bij scheve verdeling
4. Clustersteekproef
o Populatie verdelen in clusters
o Random aantal clusters selecteren
o Clusters geheel meenemen in steekproef
Bijvoorbeeld 1ste jaar delen in werkgroepen, waarbij je dan 4
werkgroepen random selecteert en dan alle studenten uit deze
groepen meeneemt in de steekproef
5. Getrapte/multi-stage steekproef
o Verdelen in werkgroepen
o Selecteren van random werkgroepen
o Uit de geselecteerde werkgroepen steeds een percentage aantal studenten
selecteren
Verschillende niet-kans steekproeven:
1. Census steekproef
o Alle eenheden uit de onderzoekspopulatie selecteren
o Geen steekproef
o Gehele populatie
o Praktisch niet haalbaar
2. Quota steekproef
o Selectie om bepaalde quota te hebben van groepen of eenheden
o Onderzoeker of interviewer selecteren
o Kans op bias of vertekening
3. Sneeuwbalsteekproef
o Respondent vraagt volgende respondent om deel te nemen
o Onderzoeker en respondent selecteren
o Veel mogelijke factoren die voor vertekening zorgen
o Kans op bias of vertekening
4. Gemak steekproef
o Convenience sample → niet wat voorhanden is
o Kans op bias of vertekening
o Bijvoorbeeld oproep op sociale media of via e-mail