Maw samenvatting H11 en H12
Prinsjesdag is een politieke institutie omdat er allerlei regels gelden over het gedrag van
actoren.
Politieke institutie: complex van min of meer geformaliseerde regels die het gedrag
van mensen en hun onderlinge relaties rond politieke machtsuitoefeningen en politieke
besluitvorming reguleren.
De belangrijkste politieke instituties in Nederland zijn: de rechtsstaat, de grondwet.
Staatshoofd: koning voorlezen van een troonrede.
Na het uitspreken van de troonrede, en de presentatie van de miljardennota volgt er een
debat in de 2e kamer. Iedere partij doet dat vanuit zijn eigen visie op de samenleving=
ideologie
Ene partij heeft meer macht dan de andere: zetels, aansprekende Kamerleden, coalitie-
oppositie.
De partijen in de coalitie werken samen voor een gemeenschappelijk doel, het vormen
van een regering en de uitvoering van het opgestelde beleid voor de komende jaren.
Er zijn verschillende dimensies waarop je standpunten kunt indelen:
Links en rechts: links wil een grotere rol voor de staat dan rechts om sociale
ongelijkheid te bestrijden. Rechtse politieke partijen willen dat de overheid zich
minder moet bemoeien met de economie, en willen economische vrijheid en
eigen verantwoordelijkheid
Progressief en conservatief: progressief wordt vaak gezien als 'vooruit willen'
vaak voor verandering. Conservatief streeft vaak naar behoud van de huidige
samenleving. Het gaat ook vaak over de mate van persoonlijke vrijheid, over
morele en etnische kwesties. Progressieve standpunten gaan om zoveel mogelijke
persoonlijke vrijheid.
Nationalisme en internationalisme: nationalisme vindt het eigen land, de natie
belangrijk. Internationalisme is juist gericht op het buitenland en de rest van de
wereld, ze willen juist samenwerken met andere landen. De rol van het land in de
wereld, is het meer gericht op buitenland of het binnenland?
Materialisme en postmaterialisme: materialisme is meer gericht op materiele
(tastbare) zaken rondom economie en defensie, en postmaterialisme is meer
gericht op abstracte zaken als milieu en sociale ongelijkheid bestrijden
De denkbeelden van ideologieën gaan over drie onderwerpen in de samenleving:
politiek, economie en cultuur.
Daar horen de volgende vragen bij:
Hoe moet de macht verdeeld worden?
Hoe moeten goederen geproduceerd en gedistribueerd worden?
Hoeveel vrijheid ten opzichte van de overheid mogen mensen hebben
Stromingen:
Liberalisme: beperkte rol van de overheid, eigen verantwoordelijkheid.
Individuele en economische vrijheid. Liberalisme staat tussen rechts en links in.
Confessionalisme: gebaseerd op het geloof, de grote rol als maatschappelijk
middenveld. Christelijke waarden en harmonie en samenwerking
Communisme: helemaal door staat gestuurd, is extreem-links en voor hen is
gelijkheid het doel van hun strijd.
Socialisme: grote rol van de overheid, gelijkwaardigheid heel erg belangrijk,
opkomen voor zwakkeren. Is links omdat zij gelijkheid belangrijk vinden
Fascisme: nationalistisch voor een eigen land, soms zelfs geweld gebruiken om
ideaal te bereiken. Fascisten zijn extreem-rechts, hun ideale samenleving is er
maar ruimte voor een cultuur.
Ideologieën over politiek:
Socialisten/sociaaldemocraten willen meer inspraak voor burgers door referenda.
Linkse liberalen willen meer invloed voor burgers, rechtse liberalen niet.
Prinsjesdag is een politieke institutie omdat er allerlei regels gelden over het gedrag van
actoren.
Politieke institutie: complex van min of meer geformaliseerde regels die het gedrag
van mensen en hun onderlinge relaties rond politieke machtsuitoefeningen en politieke
besluitvorming reguleren.
De belangrijkste politieke instituties in Nederland zijn: de rechtsstaat, de grondwet.
Staatshoofd: koning voorlezen van een troonrede.
Na het uitspreken van de troonrede, en de presentatie van de miljardennota volgt er een
debat in de 2e kamer. Iedere partij doet dat vanuit zijn eigen visie op de samenleving=
ideologie
Ene partij heeft meer macht dan de andere: zetels, aansprekende Kamerleden, coalitie-
oppositie.
De partijen in de coalitie werken samen voor een gemeenschappelijk doel, het vormen
van een regering en de uitvoering van het opgestelde beleid voor de komende jaren.
Er zijn verschillende dimensies waarop je standpunten kunt indelen:
Links en rechts: links wil een grotere rol voor de staat dan rechts om sociale
ongelijkheid te bestrijden. Rechtse politieke partijen willen dat de overheid zich
minder moet bemoeien met de economie, en willen economische vrijheid en
eigen verantwoordelijkheid
Progressief en conservatief: progressief wordt vaak gezien als 'vooruit willen'
vaak voor verandering. Conservatief streeft vaak naar behoud van de huidige
samenleving. Het gaat ook vaak over de mate van persoonlijke vrijheid, over
morele en etnische kwesties. Progressieve standpunten gaan om zoveel mogelijke
persoonlijke vrijheid.
Nationalisme en internationalisme: nationalisme vindt het eigen land, de natie
belangrijk. Internationalisme is juist gericht op het buitenland en de rest van de
wereld, ze willen juist samenwerken met andere landen. De rol van het land in de
wereld, is het meer gericht op buitenland of het binnenland?
Materialisme en postmaterialisme: materialisme is meer gericht op materiele
(tastbare) zaken rondom economie en defensie, en postmaterialisme is meer
gericht op abstracte zaken als milieu en sociale ongelijkheid bestrijden
De denkbeelden van ideologieën gaan over drie onderwerpen in de samenleving:
politiek, economie en cultuur.
Daar horen de volgende vragen bij:
Hoe moet de macht verdeeld worden?
Hoe moeten goederen geproduceerd en gedistribueerd worden?
Hoeveel vrijheid ten opzichte van de overheid mogen mensen hebben
Stromingen:
Liberalisme: beperkte rol van de overheid, eigen verantwoordelijkheid.
Individuele en economische vrijheid. Liberalisme staat tussen rechts en links in.
Confessionalisme: gebaseerd op het geloof, de grote rol als maatschappelijk
middenveld. Christelijke waarden en harmonie en samenwerking
Communisme: helemaal door staat gestuurd, is extreem-links en voor hen is
gelijkheid het doel van hun strijd.
Socialisme: grote rol van de overheid, gelijkwaardigheid heel erg belangrijk,
opkomen voor zwakkeren. Is links omdat zij gelijkheid belangrijk vinden
Fascisme: nationalistisch voor een eigen land, soms zelfs geweld gebruiken om
ideaal te bereiken. Fascisten zijn extreem-rechts, hun ideale samenleving is er
maar ruimte voor een cultuur.
Ideologieën over politiek:
Socialisten/sociaaldemocraten willen meer inspraak voor burgers door referenda.
Linkse liberalen willen meer invloed voor burgers, rechtse liberalen niet.