Zinsbouwfouten:
1. Foutieve samentrekking
Bij samentrekking probeert een schrijver ‘taalzuinig’ te zijn door in het tweede gedeelte van
een samengestelde zin woorden weg te laten. Dat mag wel, maar hij moet er dan wel op
letten dat de weggelaten woorden dezelfde grammaticale functie hebben als de woorden
waarnaar ze verwijzen. Als het om zelfstandige naamwoorden gaat, zit het probleem meestal
in een verwisseling van onderwerp, lijdend voorwerp of meewerkend voorwerp. Als het om
werkwoorden gaat, is het altijd een verwisseling van zelfstand-, hulp-, of koppelwerkwoord.
Weggelaten zelfstandig naamwoord(groep):
* De muziek van Marco Borsato vind ik erg mooi en ontroert mij altijd
De muziek van Marco Borsato vind ik erg mooi en die ontroert mij altijd.
achter ‘en’ moet ‘de muziek van Marco Borsato’ worden ingevuld. In de eerste zin is ‘de
muziek van Marco Borsato’ lijdend voorwerp (‘ik’ is onderwerp). Achter ‘en’ is ‘de muziek van
Marco Borsato’ echter onderwerp. De samentrekking (weglating) is dus niet correct en het
woordje ‘die’ moet worden bijgeplaatst.
Weggelaten werkwoord:
* Ik heb een heel mooi huis en bovendien van mijn baas een fraaie auto gekregen.
Ik heb een heel mooi huis en heb bovendien van mijn baas een fraaie auto gekregen.
In de tweede zin zijn ‘ik’ en ‘heb’ weggelaten. ‘Ik’ is in beide zinnen onderwerp, dus dat mag.
Het woord ‘heb’ is in de eerste zin een zelfstandig werkwoord en in de tweede zin een
hulpwerkwoord. De samentrekking is daar dus niet goed.
2. Foutieve inversie (tante Betje)
De normale volgorde in een Nederlandse zin is onderwerp – persoonsvorm – overige
zinsdelen: Ik heb gisteren een nieuwe auto gekocht. Als je nadruk wilt leggen op het feit dat
je dat gisteren gedaan hebt, kun je ‘gisteren’ voorop plaatsen en onderwerp en
persoonsvorm omkeren: Gisteren heb ik een nieuwe auto gekocht. Je noemt dat inversie. Als
je in een samengestelde zin inversie toepast in de tweede zin, gaat het vaak fout. Je mag
alleen inversie toepassen in de tweede zin, als er ook in de eerste zin inversie is gebruikt.
* Ik heb gisteren een nieuwe auto gekocht en heb ik hem vandaag aan mijn baas laten
zien.
Ik heb gisteren een nieuwe auto gekocht en ik heb hem vandaag aan mijn baas laten
zien.
Vaak gaat inversie gepaard met een samentrekking van het vooropgeplaatste zinsdeel. Ook
daar gaat het vaak fout:
* Morgen ga ik naar Amsterdam en gaan we de hele week luieren.
Morgen ga ik naar Amsterdam en dan/daar gaan we de hele week luieren.
(Je kunt tenslotte niet in één dag een hele week luieren)
1