Anatomie & fysiologie blok 1
Introductiecollege Anatomie/fysiologie: cel- en
weefselleer.
Literatuur: hoofdstuk 1 en 3
De student kan:
1. Aan de hand van een zelfgemaakte schematische afbeelding de bouw van de lichaamscel
als kleinste, zelfstandig levende eenheid van het menselijk organisme beschrijven. Daarbij
kan de student van de verschillende celorganellen de functie weergeven;
Lichaamscel = kleinste, zelfstandig levende eenheid van een mens
- Celmembraan
- Celkern bevat DNA
- Cytoplasma met inhoud
o Celvloeistof
o Organellen
Endoplasmatisch reticulum maakt eiwitten
Ribosomen maken eiwitten m.b.v. RNA.
Golgi systeem verpakkingsafdeling voor eiwitten
Mitochondriën leveren energie
Vesikels verpakte producten, maken contact met
membraan en de inhoud wordt uitgestoten de bloedbaan in
Passief transport:
Transport van stoffen door een membraan heen waar geen energie voor nodig is. treedt op
wanneer een stof de semipermeabele membraan van plasma en organellen kan passeren en
zich met concentratiegradiënt mee kan verplaatsen zonder energieverbruik.
o Diffusie = verplaatsing van een stof van een plek met een hoge concentratie van die
stof naar een plek met een lage concentratie van die stof.
o Osmose = verplaatsing van water van een plek met een hoge concentratie van water
naar een plek met een lage concentratie van water.
Lage osmotische waarde = een plek met een hoge concentratie water
Want: lage osmotische waarde = weinig opgeloste stoffen dus relatief veel water.
Actief transport: transport van stoffen tegen hun concentratiegradiënt in, dus van een lagere
naar een hogere concentratie. Aangedreven door chemische energie ATP
, 2. De opbouw van de mens beschrijven vanuit cellen, weefsels, organen en orgaan- of
functiesystemen;
Celcyclus = periode tussen 2 celdelingen.
- Mitose (M-fase)
- Interfase
Interfase:
- Eerste tussenfase: cel groeit qua maat en volume, soms nog een rustfase: cellen zijn zeer
actief en voeren desbetreffende functies uit.
- Synthese van DNA: chromosomen vermenigvuldigen zich en vormen 2 identieke DNA-
kopieën.
- Tweede tussenfase: cel groeit en bereidt zich voor op celdeling.
Mitose
- Profase
- Metafase
- Anafase
- Telofase
Soorten weefsels:
Dekweefsel het bedekt
- Epitheel: buitenkant, heeft contact met de buitenwereld. Bijv. slijmvliezen van de
luchtwegen, verteringskanaal, urinewegen, vagina, baarmoeder, eileiders.
- Endotheel: binnenkant = bijv. binnenkant bloedvat
Steunweefsel
- Bindweefsel
o Bindt
o Beschermt
o Beweeglijkheid
o Steun
o Vormt
o Verzorgt
- Bot of been
Kraakbeen
- Steviger dan ander bindweefsel
- 3 soorten:
o Hyalien kraakbeen
o Fibreus kraakbeen
o Elastisch kraakbeen
Spierweefsel heeft vermogen om samen te trekken, maakt bewegingen mogelijk
- Dwarsgestreept: willekeurig skeletspierweefsel
- Glad: onwillekeurig (niet onder controle van het bewustzijn), om organen en bloedvaten
- Hartspierweefsel: dwarsgestreept, onwillekeurig, hart
Zenuwweefsel kan prikkels opwekken en doorsturen
Introductiecollege Anatomie/fysiologie: cel- en
weefselleer.
Literatuur: hoofdstuk 1 en 3
De student kan:
1. Aan de hand van een zelfgemaakte schematische afbeelding de bouw van de lichaamscel
als kleinste, zelfstandig levende eenheid van het menselijk organisme beschrijven. Daarbij
kan de student van de verschillende celorganellen de functie weergeven;
Lichaamscel = kleinste, zelfstandig levende eenheid van een mens
- Celmembraan
- Celkern bevat DNA
- Cytoplasma met inhoud
o Celvloeistof
o Organellen
Endoplasmatisch reticulum maakt eiwitten
Ribosomen maken eiwitten m.b.v. RNA.
Golgi systeem verpakkingsafdeling voor eiwitten
Mitochondriën leveren energie
Vesikels verpakte producten, maken contact met
membraan en de inhoud wordt uitgestoten de bloedbaan in
Passief transport:
Transport van stoffen door een membraan heen waar geen energie voor nodig is. treedt op
wanneer een stof de semipermeabele membraan van plasma en organellen kan passeren en
zich met concentratiegradiënt mee kan verplaatsen zonder energieverbruik.
o Diffusie = verplaatsing van een stof van een plek met een hoge concentratie van die
stof naar een plek met een lage concentratie van die stof.
o Osmose = verplaatsing van water van een plek met een hoge concentratie van water
naar een plek met een lage concentratie van water.
Lage osmotische waarde = een plek met een hoge concentratie water
Want: lage osmotische waarde = weinig opgeloste stoffen dus relatief veel water.
Actief transport: transport van stoffen tegen hun concentratiegradiënt in, dus van een lagere
naar een hogere concentratie. Aangedreven door chemische energie ATP
, 2. De opbouw van de mens beschrijven vanuit cellen, weefsels, organen en orgaan- of
functiesystemen;
Celcyclus = periode tussen 2 celdelingen.
- Mitose (M-fase)
- Interfase
Interfase:
- Eerste tussenfase: cel groeit qua maat en volume, soms nog een rustfase: cellen zijn zeer
actief en voeren desbetreffende functies uit.
- Synthese van DNA: chromosomen vermenigvuldigen zich en vormen 2 identieke DNA-
kopieën.
- Tweede tussenfase: cel groeit en bereidt zich voor op celdeling.
Mitose
- Profase
- Metafase
- Anafase
- Telofase
Soorten weefsels:
Dekweefsel het bedekt
- Epitheel: buitenkant, heeft contact met de buitenwereld. Bijv. slijmvliezen van de
luchtwegen, verteringskanaal, urinewegen, vagina, baarmoeder, eileiders.
- Endotheel: binnenkant = bijv. binnenkant bloedvat
Steunweefsel
- Bindweefsel
o Bindt
o Beschermt
o Beweeglijkheid
o Steun
o Vormt
o Verzorgt
- Bot of been
Kraakbeen
- Steviger dan ander bindweefsel
- 3 soorten:
o Hyalien kraakbeen
o Fibreus kraakbeen
o Elastisch kraakbeen
Spierweefsel heeft vermogen om samen te trekken, maakt bewegingen mogelijk
- Dwarsgestreept: willekeurig skeletspierweefsel
- Glad: onwillekeurig (niet onder controle van het bewustzijn), om organen en bloedvaten
- Hartspierweefsel: dwarsgestreept, onwillekeurig, hart
Zenuwweefsel kan prikkels opwekken en doorsturen