Fysiologie H4
Concentrische contractie: spier wordt op kracht korter
Excentrische contractie: spier wordt op kracht langer
Isometrische contractie: spier op kracht belast maar blijft gelijk in lengte
Doorsnede van de spier
- Om een spier zit een stevige bindweefsellaag, de fascie.
- Daar binnen is de spier omgeven door een dunnere bindweefsellaag (epimysium :
epi=op, myo=spier> op de spier).
- Binnen de spier zitten bundels, of fasculi (fascikels), elke bundel is omgeven door een
dunne bindweefsellaag (perimysium, peri= eromheen)
- Elke bundel of fascikel bevat een aantal spiervezels, elke spiervezel is ook weer
omgeven door een dunne bindweefsellaag (endomysium,
endo=binnenste/binnenlaag)
- De bindweefsellagen bieden ruimte voor bloedvaten en zenuwvezels
- Aan het uiteinde van de spier lopen de bindweefsellagen door in het peesweefsel
Dus van klein naar groot:
- Elke spiervezel is omgeven door een bindweefsellaag: endomysium
- Bundels van spiervezels worden omgeven door ‘’: perimysium
- Op de spier zit een bindweefsellaag: epimysium
- Om de spier zit een stevige bindweefsellaag: fascie
Spiervezel
Een spiervezel is een lang gerekte spiercel. De woorden spiervezel en spiercel duiden
hetzelfde aan.
De spiercel is ontstaan in de embryonale periode, door samensmelting van meerdere cellen,
daarom heeft de spiercel meer dan 1 celkern. De kernen liggen tegen de celmembraan of
sarcolemma aan (sarco=spier)
Skeletspieren heten ook wel dwarsgestreepte spieren, dit komt omdat er dwarsgestreept te
zien is onder de microscoop.
In het plasma van een spiervezel lopen langgerekte structuren of myofibrillen van het ene
cel uiteinde naar het andere cel uiteinde. Myofibrillen zijn de contractiele elementen van
een spier. De dwarse streping wordt teweeggebracht door de bouw van de myofibrillen.
De spiercel of spiervezel kan alleen groeien in de lente door de myofibrillen te verlengen. In
de lengte kan een spiervezel groeien (dikker worden) door meer myofibrillen te bouwen.
In de spiervezel liggen myofibrillen aan de elkaar, door de dwars streping zijn onderdelen te
onderscheiden: banden, schijven, zones en lijnen. In elke band loopt in het midden een lijn.
, Bij verder inzoomen zijn de myofibrillen rijen langwerpige eiwitten (myofilamenten) te zien.
De dikke filamenten heten myosine, de dunne filamenten heten actine. Samen zijn zij de
contractiele elementen van de spiervezel.
Myosine en actine liggen als een karakteristiek honinggraatpatroon in de spiervezel: de
dikke myosine is omgeven door zes dunne actinefilamenten en overlappen elkaar
gedeeltelijk.
- Bij contractie schuiven ze verder over elkaar (spier komt dichter bij elkaar met
aanspanning)
- Ontstaan van contractie >Myosine heeft aan de zijkant een reeks ‘koppen’ die naar
buiten uitsteken. Als zo’n myosinekop een brug vormt met het actinefilament,
schuiven de filamenten langs elkaar (sliding filament theory) zo ontstaat contractie
Sarcomeer
De ruimte tussen twee Z-lijnen van de myofirbillen is een sarcomeer. De sarcomeer is een
contractiele eenheid van een spiervezel. In de spiervezels liggen sarcomeren achter elkaar
(in serie) en naast elkaar (parallel). Aan wederzijden van de Z-lijn zijn actinefilamenten
gehecht. Zo zijn sarcomeren in serie gekoppeld.
Elke sarcomeer kan maar 1 ‘um’ korter of
langer worden, maar omdat er tien tot
honderdduizend sarcomeren in serie
geschakeld zijn, kan de spier toch flink korter
of langer worden.
Concentrische contractie: spier wordt op kracht korter
Excentrische contractie: spier wordt op kracht langer
Isometrische contractie: spier op kracht belast maar blijft gelijk in lengte
Doorsnede van de spier
- Om een spier zit een stevige bindweefsellaag, de fascie.
- Daar binnen is de spier omgeven door een dunnere bindweefsellaag (epimysium :
epi=op, myo=spier> op de spier).
- Binnen de spier zitten bundels, of fasculi (fascikels), elke bundel is omgeven door een
dunne bindweefsellaag (perimysium, peri= eromheen)
- Elke bundel of fascikel bevat een aantal spiervezels, elke spiervezel is ook weer
omgeven door een dunne bindweefsellaag (endomysium,
endo=binnenste/binnenlaag)
- De bindweefsellagen bieden ruimte voor bloedvaten en zenuwvezels
- Aan het uiteinde van de spier lopen de bindweefsellagen door in het peesweefsel
Dus van klein naar groot:
- Elke spiervezel is omgeven door een bindweefsellaag: endomysium
- Bundels van spiervezels worden omgeven door ‘’: perimysium
- Op de spier zit een bindweefsellaag: epimysium
- Om de spier zit een stevige bindweefsellaag: fascie
Spiervezel
Een spiervezel is een lang gerekte spiercel. De woorden spiervezel en spiercel duiden
hetzelfde aan.
De spiercel is ontstaan in de embryonale periode, door samensmelting van meerdere cellen,
daarom heeft de spiercel meer dan 1 celkern. De kernen liggen tegen de celmembraan of
sarcolemma aan (sarco=spier)
Skeletspieren heten ook wel dwarsgestreepte spieren, dit komt omdat er dwarsgestreept te
zien is onder de microscoop.
In het plasma van een spiervezel lopen langgerekte structuren of myofibrillen van het ene
cel uiteinde naar het andere cel uiteinde. Myofibrillen zijn de contractiele elementen van
een spier. De dwarse streping wordt teweeggebracht door de bouw van de myofibrillen.
De spiercel of spiervezel kan alleen groeien in de lente door de myofibrillen te verlengen. In
de lengte kan een spiervezel groeien (dikker worden) door meer myofibrillen te bouwen.
In de spiervezel liggen myofibrillen aan de elkaar, door de dwars streping zijn onderdelen te
onderscheiden: banden, schijven, zones en lijnen. In elke band loopt in het midden een lijn.
, Bij verder inzoomen zijn de myofibrillen rijen langwerpige eiwitten (myofilamenten) te zien.
De dikke filamenten heten myosine, de dunne filamenten heten actine. Samen zijn zij de
contractiele elementen van de spiervezel.
Myosine en actine liggen als een karakteristiek honinggraatpatroon in de spiervezel: de
dikke myosine is omgeven door zes dunne actinefilamenten en overlappen elkaar
gedeeltelijk.
- Bij contractie schuiven ze verder over elkaar (spier komt dichter bij elkaar met
aanspanning)
- Ontstaan van contractie >Myosine heeft aan de zijkant een reeks ‘koppen’ die naar
buiten uitsteken. Als zo’n myosinekop een brug vormt met het actinefilament,
schuiven de filamenten langs elkaar (sliding filament theory) zo ontstaat contractie
Sarcomeer
De ruimte tussen twee Z-lijnen van de myofirbillen is een sarcomeer. De sarcomeer is een
contractiele eenheid van een spiervezel. In de spiervezels liggen sarcomeren achter elkaar
(in serie) en naast elkaar (parallel). Aan wederzijden van de Z-lijn zijn actinefilamenten
gehecht. Zo zijn sarcomeren in serie gekoppeld.
Elke sarcomeer kan maar 1 ‘um’ korter of
langer worden, maar omdat er tien tot
honderdduizend sarcomeren in serie
geschakeld zijn, kan de spier toch flink korter
of langer worden.