Immuun stelsel
1. Immuniteit: Verschil tussen specifieke en aspecifieke immuniteit + verschillende
typen immuniteit
Aangeboren Niet aangeboren
Niet-specifieke immuniteit Specifieke immuniteit
§ Geen onderscheid tussen ≠ bedreigingen § Verdediging tegen specifieke
§ Aanwezig vanaf de geboorte bedreigingen
§ Bestaat uit een aantal onderdelen. § Ontwikkelt grotendeels na de geboorte,
LEUKOCYTEN door blootstelling
Ø MACROFAGEN § Is afh van arsenaal aan lymfocyten
Ø MICROFAGEN
(lymfestelsel) en werken op presentatie
Ø GRANULOCYTEN.
en herkenning
Ø B-LYMFOCYTEN
Ø T-LYMFOCYTEN
Anatomie en fysiologie lymfestelsel
2. Lymfestelsel:
Belangrijkste componenten:
- Lymfevaten
- Lymfe
- Lymfocyten
- Lymfoïde weefsels en organen
Lymfestelsel belangrijkste functies:
1. Onderhoud en transport van lymfocyten (gevormd in
rode beenmerg en opgeslagen in lymfoïde organen) →
specifieke immuniteit
§ Binnendringende ziekteverwekkers
§ Afwijkende lichaamscellen
§ Vreemde eiwitten
2. Terugkeer van vloeistof en opgeloste deeltjes van perifere
weefsels naar het bloed.
3. Transport van stoffen die bloedsomloop niet rechtstreeks
kunnen binnenkomen, vanuit plaats van opname uit weefsels naar bloed.
1
, Immuun stelsel
Lymfestelsel Lymfevaten
Ductus lymphaticus
dexter
Ductus
thoracicus
- Lymfecapillairen beginnen blind tussen de weefsels
- Afvoer van weefselvocht (=lymfe) vanuit
deze weefsels naar veneuze systeem
- Aanwezigheid van kleppen → druk is
buitengewoon laag + spierpomp
- Lymfevaten monden uit in 2 grote
lymfevaten
• ductus thoracicus ( borstbuis)
• ductus lymphaticus dexter
(rechterlymfestam)
Klein gedeelte van alle lymfocyten circuleert in bloed
Grootste deel bevindt zich in de lymfoïde organen en andere weefsels.
§ T-lymfocyten → Thymus (80%)
- T-cytotoxische cellen (cellulaire immuniteit: vallen vreemde of virusbevattende cellen direct
aan)
- T-helpercellen: stimuleren activiteit van T- en B-cellen
- T-suppressorcellen: remmen activiteit van T- en B-cellen
§ B-Lymfocyten → Beenmerg (10-15%)
- cellen die antistoffen afgeven = immunoglobulinen
- antistoffen binden met antigenen = humorale immuniteit
§ NK-cellen (5-10%)
- vreemde cellen, viraal geïnfecteerde cellen, tumorale cellen = immunologische surveillance
2
1. Immuniteit: Verschil tussen specifieke en aspecifieke immuniteit + verschillende
typen immuniteit
Aangeboren Niet aangeboren
Niet-specifieke immuniteit Specifieke immuniteit
§ Geen onderscheid tussen ≠ bedreigingen § Verdediging tegen specifieke
§ Aanwezig vanaf de geboorte bedreigingen
§ Bestaat uit een aantal onderdelen. § Ontwikkelt grotendeels na de geboorte,
LEUKOCYTEN door blootstelling
Ø MACROFAGEN § Is afh van arsenaal aan lymfocyten
Ø MICROFAGEN
(lymfestelsel) en werken op presentatie
Ø GRANULOCYTEN.
en herkenning
Ø B-LYMFOCYTEN
Ø T-LYMFOCYTEN
Anatomie en fysiologie lymfestelsel
2. Lymfestelsel:
Belangrijkste componenten:
- Lymfevaten
- Lymfe
- Lymfocyten
- Lymfoïde weefsels en organen
Lymfestelsel belangrijkste functies:
1. Onderhoud en transport van lymfocyten (gevormd in
rode beenmerg en opgeslagen in lymfoïde organen) →
specifieke immuniteit
§ Binnendringende ziekteverwekkers
§ Afwijkende lichaamscellen
§ Vreemde eiwitten
2. Terugkeer van vloeistof en opgeloste deeltjes van perifere
weefsels naar het bloed.
3. Transport van stoffen die bloedsomloop niet rechtstreeks
kunnen binnenkomen, vanuit plaats van opname uit weefsels naar bloed.
1
, Immuun stelsel
Lymfestelsel Lymfevaten
Ductus lymphaticus
dexter
Ductus
thoracicus
- Lymfecapillairen beginnen blind tussen de weefsels
- Afvoer van weefselvocht (=lymfe) vanuit
deze weefsels naar veneuze systeem
- Aanwezigheid van kleppen → druk is
buitengewoon laag + spierpomp
- Lymfevaten monden uit in 2 grote
lymfevaten
• ductus thoracicus ( borstbuis)
• ductus lymphaticus dexter
(rechterlymfestam)
Klein gedeelte van alle lymfocyten circuleert in bloed
Grootste deel bevindt zich in de lymfoïde organen en andere weefsels.
§ T-lymfocyten → Thymus (80%)
- T-cytotoxische cellen (cellulaire immuniteit: vallen vreemde of virusbevattende cellen direct
aan)
- T-helpercellen: stimuleren activiteit van T- en B-cellen
- T-suppressorcellen: remmen activiteit van T- en B-cellen
§ B-Lymfocyten → Beenmerg (10-15%)
- cellen die antistoffen afgeven = immunoglobulinen
- antistoffen binden met antigenen = humorale immuniteit
§ NK-cellen (5-10%)
- vreemde cellen, viraal geïnfecteerde cellen, tumorale cellen = immunologische surveillance
2