H20 Eiwit
…Afwerking polypeptide keten …..…………………… ……..
1. Een groeiende peptideketen in een ribosoom begint altijd met een adreslabel
(signaalpeptide) .
2. Een signaalherkenninsmolecuul (SHM) bindt aan het adreslabel, dit blokkeert translatie
tijdelijk.
3. SHM bindt aan een SHM-receptor op het membraan van het ER
4. Het ribosoom koppelt dan aan een ribosoom receptor die ook op het membraan zit. Het
ribosoom hangt nu recht boven een eiwitpoort.
5. GTP bindt met het SMH (en SMH receptor). Deze binding zorgt ervoor dat de eiwitpoort
open gaat
6. Het GTP splitst in GDP en P. Door deze splitsing koppelt het SHM los van zijn receptor en
van het ribosoom. De translatie blokkade is weg, dus translatie vervolgt
8. De polypeptideketen komt groeiend het ER binnen (via de eiwitpoort). De translatie gaat
door totdat het ribosoom bij een stopcodon terecht komt
9. Een ontkoppelingsfactor koppelt de polypeptideketen los van de ribosoom. De ribosoom
valt dan uiteen in 2 delen.
→ Eiwitpoort sluit
10. In het (gladde) ER krijgt de polypeptideketen een eiwitstructuur. (Stukjes ER-membraan
vormen transport blaasjes die eiwitten voor afwerking naar het golgi-systeem brengen)
(BINAS 71J)
…Bewerkingen in het Golgi-systeem.……… ……… ……..
In het Golgi-systeem ontstaat de definitieve eiwit vorm:
- Fosfaatgroepen worden toegevoegd.
- Koppelen meerdere polypeptideketens aaneen tot 1 eiwit.
Het Golgi-systeem sorteert en verpakt de verschillende eiwitten in blaasjes. Adreslabels
bepalen de eindbestemming. Ze kunnen door exocytose de cel uit, als lysosoom in het
cytoplasma functioneren of ze hechten aan het celmembraan (in de blaasjes zitten dan eiwit
poorten of receptoreiwitten)
…Afwerking polypeptide keten …..…………………… ……..
1. Een groeiende peptideketen in een ribosoom begint altijd met een adreslabel
(signaalpeptide) .
2. Een signaalherkenninsmolecuul (SHM) bindt aan het adreslabel, dit blokkeert translatie
tijdelijk.
3. SHM bindt aan een SHM-receptor op het membraan van het ER
4. Het ribosoom koppelt dan aan een ribosoom receptor die ook op het membraan zit. Het
ribosoom hangt nu recht boven een eiwitpoort.
5. GTP bindt met het SMH (en SMH receptor). Deze binding zorgt ervoor dat de eiwitpoort
open gaat
6. Het GTP splitst in GDP en P. Door deze splitsing koppelt het SHM los van zijn receptor en
van het ribosoom. De translatie blokkade is weg, dus translatie vervolgt
8. De polypeptideketen komt groeiend het ER binnen (via de eiwitpoort). De translatie gaat
door totdat het ribosoom bij een stopcodon terecht komt
9. Een ontkoppelingsfactor koppelt de polypeptideketen los van de ribosoom. De ribosoom
valt dan uiteen in 2 delen.
→ Eiwitpoort sluit
10. In het (gladde) ER krijgt de polypeptideketen een eiwitstructuur. (Stukjes ER-membraan
vormen transport blaasjes die eiwitten voor afwerking naar het golgi-systeem brengen)
(BINAS 71J)
…Bewerkingen in het Golgi-systeem.……… ……… ……..
In het Golgi-systeem ontstaat de definitieve eiwit vorm:
- Fosfaatgroepen worden toegevoegd.
- Koppelen meerdere polypeptideketens aaneen tot 1 eiwit.
Het Golgi-systeem sorteert en verpakt de verschillende eiwitten in blaasjes. Adreslabels
bepalen de eindbestemming. Ze kunnen door exocytose de cel uit, als lysosoom in het
cytoplasma functioneren of ze hechten aan het celmembraan (in de blaasjes zitten dan eiwit
poorten of receptoreiwitten)