H4 Cel en leven
…Organisatie niveaus op aarde……….….………… ………
Organisme: Een verzameling werkende orgaanstelsels.
Orgaanstelsels: Een groep organen die samenwerken aan een
bepaalde functie.
Organen: Een deel van een organisme met 1 functie en dat
bestaat uit verschillende weefsels.
Weefsel: Een groep cellen met dezelfde vorm en functie.
Cel: Het kleinste deeltje van een organisme wat nog alle
*levensverschijnselen vertoont.
Celorganellen: Een deel van een cel met een functie en dat
bestaat.
Molecuul: Het allerkleinste deeltje.
Levenskenmerken van een organismen:
- Groei;
- Voortplanting
- Stofwisseling (opnemen, afgeven en omzetten van stoffen);
- Waarnemen en reageren op veranderingen in de omgeving;
- Bezitten en regelen van erfelijk materiaal.
Oppervlak-volumeverhouding: Bij kleine organismen is het celoppervlak groot genoeg om
voldoende zuurstof uit de lucht te halen. De oppervlakte-volumeverhouding is dan bijna 1:1,
en dus heel groot. Bij grotere organismen is het volume groter dan het oppervlak. Zij hebben
speciale organen nodig om voldoende zuurstof binnen te krijgen. de
oppervlakte-volumeverhouding is bij grote organismen dus kleiner.
Hoe kleiner deze oppervlakte volume verhouding, hoe minder warmte verlies. (grotere
organismen = minder warmte verlies)
…Organisatie niveaus op aarde……….….………… ………
Organisme: Een verzameling werkende orgaanstelsels.
Orgaanstelsels: Een groep organen die samenwerken aan een
bepaalde functie.
Organen: Een deel van een organisme met 1 functie en dat
bestaat uit verschillende weefsels.
Weefsel: Een groep cellen met dezelfde vorm en functie.
Cel: Het kleinste deeltje van een organisme wat nog alle
*levensverschijnselen vertoont.
Celorganellen: Een deel van een cel met een functie en dat
bestaat.
Molecuul: Het allerkleinste deeltje.
Levenskenmerken van een organismen:
- Groei;
- Voortplanting
- Stofwisseling (opnemen, afgeven en omzetten van stoffen);
- Waarnemen en reageren op veranderingen in de omgeving;
- Bezitten en regelen van erfelijk materiaal.
Oppervlak-volumeverhouding: Bij kleine organismen is het celoppervlak groot genoeg om
voldoende zuurstof uit de lucht te halen. De oppervlakte-volumeverhouding is dan bijna 1:1,
en dus heel groot. Bij grotere organismen is het volume groter dan het oppervlak. Zij hebben
speciale organen nodig om voldoende zuurstof binnen te krijgen. de
oppervlakte-volumeverhouding is bij grote organismen dus kleiner.
Hoe kleiner deze oppervlakte volume verhouding, hoe minder warmte verlies. (grotere
organismen = minder warmte verlies)