Verhaalanalyse
Thema
Het thema is het onderwerp van het verhaal. De gebeurtenissen in een verhaal, de ruimte,
de tijd, de plaats, de personages… moeten allemaal dat thema helpen uitwerken. Om het
thema van een verhaal te vinden, moet je het verhaal zo samenvatten dat alle concrete
details wegvallen. Die samenvatting vat je opnieuw samen, tot er 1 kernwoord of kernzin
overblijft.
Voorbeelden zijn: liefdesverdriet, wraak, leven in een jeugdbende, vluchten…
Motief
Een motief is een klein, betekenisvol element (een gedachte, een voorwerp, een
handeling…) dat (verschillende keren) wordt herhaald in een literair werk. Het komt expliciet
voor in het verhaal en het helpt het thema te onderbouwen.
bv. In ‘De roos en het zwijn’ van Anne Provoost komt de roos voortdurend in een andere
vorm voor in het verhaal. De roos is dan ook een motief.
Vertelperspectief
Het vertelperspectief is het standpunt van waaruit de verteller het verhaal vertelt.
Ik-verteller: Een ik-verteller vertelt het verhaal zonder alwetend te zijn. De verteller weet
niet wat andere personages denken of voelen. De ik-verteller is zowel een personage in het
verhaal zelf als de verteller.
- Belevende ik neemt deel aan de actie in het verhaal en beschrijft de gebeurtenissen
op het moment dat ze plaatsvinden. Als lezer weet je evenveel als de ik-persoon. Hier
wordt de tegenwoordige tijd gebruikt.
- Vertellende ik heeft deelgenomen aan de actie of is daarvan getuige geweest. De ik-
persoon beschrijft de gebeurtenissen nadat ze hebben plaatsgevonden. De verteller
kent de afloop van het verhaal. Hier wordt de verleden tijd gebruikt.
Hij-verteller:
- In een alwetend of auctorieel perspectief staat de verteller buiten het verhaal. Hij
gedraagt zich als een soort god in een wereld die hij zelf geschapen heeft. Hij kan
vooruit- en terugblikken in het verhaal, weet wat er op verschillende plaatsen tegelijk
gebeurt, kent de gedachten en gevoelens van de personages, leidt de lezer als het
ware rond in zijn verhaal en is geen personage in het verhaal.
Thema
Het thema is het onderwerp van het verhaal. De gebeurtenissen in een verhaal, de ruimte,
de tijd, de plaats, de personages… moeten allemaal dat thema helpen uitwerken. Om het
thema van een verhaal te vinden, moet je het verhaal zo samenvatten dat alle concrete
details wegvallen. Die samenvatting vat je opnieuw samen, tot er 1 kernwoord of kernzin
overblijft.
Voorbeelden zijn: liefdesverdriet, wraak, leven in een jeugdbende, vluchten…
Motief
Een motief is een klein, betekenisvol element (een gedachte, een voorwerp, een
handeling…) dat (verschillende keren) wordt herhaald in een literair werk. Het komt expliciet
voor in het verhaal en het helpt het thema te onderbouwen.
bv. In ‘De roos en het zwijn’ van Anne Provoost komt de roos voortdurend in een andere
vorm voor in het verhaal. De roos is dan ook een motief.
Vertelperspectief
Het vertelperspectief is het standpunt van waaruit de verteller het verhaal vertelt.
Ik-verteller: Een ik-verteller vertelt het verhaal zonder alwetend te zijn. De verteller weet
niet wat andere personages denken of voelen. De ik-verteller is zowel een personage in het
verhaal zelf als de verteller.
- Belevende ik neemt deel aan de actie in het verhaal en beschrijft de gebeurtenissen
op het moment dat ze plaatsvinden. Als lezer weet je evenveel als de ik-persoon. Hier
wordt de tegenwoordige tijd gebruikt.
- Vertellende ik heeft deelgenomen aan de actie of is daarvan getuige geweest. De ik-
persoon beschrijft de gebeurtenissen nadat ze hebben plaatsgevonden. De verteller
kent de afloop van het verhaal. Hier wordt de verleden tijd gebruikt.
Hij-verteller:
- In een alwetend of auctorieel perspectief staat de verteller buiten het verhaal. Hij
gedraagt zich als een soort god in een wereld die hij zelf geschapen heeft. Hij kan
vooruit- en terugblikken in het verhaal, weet wat er op verschillende plaatsen tegelijk
gebeurt, kent de gedachten en gevoelens van de personages, leidt de lezer als het
ware rond in zijn verhaal en is geen personage in het verhaal.