H1: inleiding
Bruto TW: output-input
Netto TW: output-input-deprecatie = inkomen
BBP
Gemiddelde arbeidsproductiviteit:
¿ uren
Comparatief voordeel = Elk land gaat zich specialiseren in de productie van dat goed waarin het
relatief het meest efficiënt is.
besc hikbare arbeid
Maximale output =
arbeid per een h eid
arbeid per eenheid goed X
Opportuniteitskost goed X =
arbeid per eenheid goed Y
Ruilvoet goed X = opportuniteitskost goed Y land A < ruilvoet < opportuniteitskost goed Y land B
H2: individuele rationaliteit en sociale interacties
Dominante strategie = strategie die voor de speler het beste antwoord biedt onafhankelijk van wat
de andere speler doet
Nash-evenwicht = combinatie van strategieën waarbij geen enkele speler van strategie zal
veranderen gegeven de strategie van de andere speler
Si, tj is een Nash-evenwicht:
Als speler 1 si volgt, dan is t j optimaal voor speler 2
EN
Als speler 2 j volgt, dan is si optimaal voor speler 1
t
H3: vraag en aanbod
De partiële vraagfunctie: q V =f ( p)
- Verschuiving horizontaal
- Negatieve relatie tussen pV en q V prijs
De partiële aanbodfunctie: q A=g ( p) 8 M
- Verticale verschuiving
- Positieve relatie tussen p A en q A
Q D
3
Reservatieprijs consument = marginale maximale bereidheid tot vraagcurve
betalen hoeveelheid
N
Consumentensurplus = reservatieprijs – effectieve prijs O 300
(zie gele oppervlakte)
prijs
Reservatieprijs producent = minimaal gevraagde prijs voor het 7
aanbieden van een additionele eenheid
( = marginale kost) aanbodcurve
M D
3
1 1Q
N hoeveelheid
O 300 600
, Producentensurplus = totale ontvangsten – totale kosten
(zie gele oppervlakte)
Evenwicht: vraag- en aanbodcurve snijden elkaar
Aanbodoverschot: gevraagde hoeveelheid < aangeboden hoeveelheid
Prijs daalt, qa daalt en qv stijgt
Vraagoverschot: gevraagde hoeveelheid > aangeboden hoeveelheid
Prijs stijgy , qa stijgt en qv daalt
H4: elasticiteiten en schokken
elasticiteiten
V % verandering gevraagde hoeveelheid
Prijselasticiteit van de vraag: ε p =
% verandering prijs
Praktisch altijd negatief: p stijgt, q V daalt of als p daalt stijgt q V
Uitz: snobgoederen en giffengoederen
V
Perfect prijselastisch: ε p =−∞
= prijsverandering heeft STERK effect op gevraagde hoeveelheid
V
Perfect prijsinelastisch: ε p =0
= prijsverandering heeft GEEN effect op gevraagde hoeveelheid
totale uitgaven = totale opbrengsten: TU = TO = p x q
V % verandering gevraagde hoeveelheid
Inkomenselasticiteit van de vraag: ε y =
% verandering inkomen
V
Normaal goed: ε y >0
Als inkomen stijgt, stijgt gevraagde hoeveelheid (inkomenselasticiteit is positief)
V
Noodzakelijk goed: 0< ε y <1
Consumptie neemt toe als inkomen toeneemt en budgetaandeel neemt af als inkomen
toeneemt
V
Luxegoed: ε y >1
Consumptie en budgetaandeel nemen toe als inkomen toeneemt
V
Inferieur goed: ε y <0
Als inkomen toeneemt, daalt conumptie en budgetaandeel
p i x qi
Budgetaandeel van goed i: w i=
y
Kruiselingse prijselasticiteit van de vraag:
V % verandering gevraagde hoeveelheid van goed x
ε x , z=
% verandering prijs van goed z
V
Substituten: ε x , z >0
- Positief getal dus positief verband
- Als de prijs goed z stijgt, dan stijgt de vraag naar goed x
2