Samenvatting DHV
Kim Kani
Algemene informatie
Filmpje introductie Tolakker 1ste jaars
Tolakker sinds 1980 opgericht: onderwijsbedrijf van DGK
Hoofddoel: onderwijs geven
Verder gewone veehouderijbedrijven (melkvee, varkens afdeling, schapen afdeling)
Sommige afdelingen onderzoek
Vleesproductie en melk
Algemene informatie van de Tolakker:
Biologisch melkveebedrijf
65 melkkoeien
50 stuks jongvee
Melkquotum: 480.000 kg melk
Kim Kani
UNIVERSITEIT UTRECHT, DGK
,INHOUDSOPGAVE
1. Laboratorium....................................................................................................................................................... 2
Practicum 12 Klinische chemie: macroscopisch en chemisch urineonderzoek en hemo-analyse ..................... 2
Principe testen ............................................................................................................................................... 2
Onderzoek urine en bloed .............................................................................................................................. 2
Urine ............................................................................................................................................................... 2
Bloedchemie ................................................................................................................................................... 3
Sneldiagnostica/droog chemie ....................................................................................................................... 3
Enzymdiagnostiek ........................................................................................................................................... 3
pH ................................................................................................................................................................... 3
Albustix (eiwitten) .......................................................................................................................................... 4
Glucose ........................................................................................................................................................... 4
Hemastix (hemoglobine) ................................................................................................................................ 4
Soort buisjes ................................................................................................................................................... 4
Practicum 13: serologische diagnostiek ............................................................................................................. 4
Serologische diagnostiek ................................................................................................................................ 4
Serologische methoden: ................................................................................................................................. 5
Niesziekte: ...................................................................................................................................................... 5
Feline immunodeficiënte virus (FIV) .............................................................................................................. 6
Ziekte van Weil: .............................................................................................................................................. 6
Werkcollege 1 Interpretatie van het klinisch chemische onderzoek aan urine- en bloedmonsters ................. 6
Interpretatie van uitslagen ............................................................................................................................. 6
Sensitiviteit en specificiteit ............................................................................................................................. 7
Practicum 15D Digestie – Diagnostisch parasitologisch faecesonderzoek ....................................................... 10
McMaster LBH + paard ............................................................................................................................ 10
CSF methode GD ...................................................................................................................................... 10
Baermann methode ..................................................................................................................................... 11
Bloeduitstrijkje: ............................................................................................................................................ 12
Hematocriet bepaling ................................................................................................................................... 12
Gram kleuring ............................................................................................................................................... 13
2. Diagnostische beeldvorming ............................................................................................................................. 14
Practicum 14 Inleiding in de Diagnostische Beeldvorming ............................................................................... 14
3. Pathologie ......................................................................................................................................................... 18
Practicum 15 Sectietechniek ........................................................................................................................ 18
Pagina 1 van 23
, 1. LABORATORIUM
PRACTICUM 12 KLINISCHE CHEMIE: MA CROSCOPISCH EN CHEMISCH URINEONDERZOEK E N
HEMO-ANALYSE
PRINCIPE TESTEN
1. Teststrip waarbij de kleuromslag concentratieafhankelijk is en dus is het een kwalitatieve test.
2. Er zijn complete analyzers (laboratoriumrobots) en kleine analyzers die geschikt zijn in de perifere
veterinaire praktijk.
ONDERZOEK URINE EN BLOED
1. Urineonderzoek en bepaling van glucose (diabetes mellitus) en ureum (nierinsufficiëntie) in bloed met
droge chemie analyzers in de praktijk
2. Voordelen: Behandeling van spoedpatiënten, sneller helpen van cliënt (= goede PR)
3. Nadeel: relatief hoge kosten per test, betrouwbare kwaliteitsbewaking (die je bijv. met controle sera
met bekende waarden of door vergelijking met een erkend en gecertificeerd laboratorium)
4. Als je het doorstuurt dan naar veterinair laboratorium.
5. Bepaling van zuiver chemische analytische stoffen veroorzaakt weinig moeilijkheden. Bij enzym
bepalingen kunnen problemen ontstaan met de referentiewaarden (onvoldoende gestandaardiseerd).
URINE
1. Kwantitatieve bepalingen kunnen alleen in een 24uurs monster omdat de componenten van urine
constant variabel zijn (door bijv. voedselopname).
2. Kwalitatieve bepalingen worden daarom veel meer gedaan en dan met name het aantonen van stoffen
die afwezig zijn in urine van gezonde dieren.
3. De concentratie aan creatinine wordt genomen als een indicator van het volume.
1. Creatine is het afbraakproduct van creatine, aanwezig in spieren, en betrokken bij
energiemetabolisme van de spier.
2. In de spier vindt een constante, langzame afbraak plaats van creatine daardoor is er een
constante stroom van creatinine naar het plasma, en vandaar naar de nieren.
4. Macroscopisch onderzoek (fysische eigenschappen)
1. Volume = vochtopname en vochtverlies en is omgekeerd gecorreleerd met het soortelijke
gewicht.
1. Anurie: geen uitscheiding van urine
2. Oligurie: minder urine uitscheiding dan normaal
3. Polyurie: meer plassen dan normaal
2. Kleur: bepaald door urobiline (restproduct van heem), dieet, medicatie,
bewaaromstandigheden, diersoort.
1. Oligurie: donker geel
2. Polyurie: licht geel
3. Rode kleur: bloed/hemoglobine, plantenkleurstoffen (konijnen)
4. Geelbruine/geelgroene: galkleurstoffen en bilirubine
5. Bruin: myoglobine/porfyrinen.
3. Geur: door vluchtige organische zuren en is karakteristiek voor de diersoort en sexe verschillen.
Sterke ammoniakgeur (afbraak ureum door bacteriën = bacteriële blaasontsteking) en de geur
van aceton (overmatig afbraak van TAG uit vetweefsel ketonlichamen).
1. Aceton door: slepende melkziekte rund, lagere insuline secretie/gevoeligheid
(diabetes mellitus), geneesmiddelen.
4. Helderheid
1. Verse urine is over het algemeen helder, behalve bij paard, konijn en cavia (zij hebben
een overmaat aan calcium). Bij gezonde paarden kan er ook slijm van
nierbekkenklieren (stroperig tot helder water) in urine zitten
Pagina 2 van 23
Kim Kani
Algemene informatie
Filmpje introductie Tolakker 1ste jaars
Tolakker sinds 1980 opgericht: onderwijsbedrijf van DGK
Hoofddoel: onderwijs geven
Verder gewone veehouderijbedrijven (melkvee, varkens afdeling, schapen afdeling)
Sommige afdelingen onderzoek
Vleesproductie en melk
Algemene informatie van de Tolakker:
Biologisch melkveebedrijf
65 melkkoeien
50 stuks jongvee
Melkquotum: 480.000 kg melk
Kim Kani
UNIVERSITEIT UTRECHT, DGK
,INHOUDSOPGAVE
1. Laboratorium....................................................................................................................................................... 2
Practicum 12 Klinische chemie: macroscopisch en chemisch urineonderzoek en hemo-analyse ..................... 2
Principe testen ............................................................................................................................................... 2
Onderzoek urine en bloed .............................................................................................................................. 2
Urine ............................................................................................................................................................... 2
Bloedchemie ................................................................................................................................................... 3
Sneldiagnostica/droog chemie ....................................................................................................................... 3
Enzymdiagnostiek ........................................................................................................................................... 3
pH ................................................................................................................................................................... 3
Albustix (eiwitten) .......................................................................................................................................... 4
Glucose ........................................................................................................................................................... 4
Hemastix (hemoglobine) ................................................................................................................................ 4
Soort buisjes ................................................................................................................................................... 4
Practicum 13: serologische diagnostiek ............................................................................................................. 4
Serologische diagnostiek ................................................................................................................................ 4
Serologische methoden: ................................................................................................................................. 5
Niesziekte: ...................................................................................................................................................... 5
Feline immunodeficiënte virus (FIV) .............................................................................................................. 6
Ziekte van Weil: .............................................................................................................................................. 6
Werkcollege 1 Interpretatie van het klinisch chemische onderzoek aan urine- en bloedmonsters ................. 6
Interpretatie van uitslagen ............................................................................................................................. 6
Sensitiviteit en specificiteit ............................................................................................................................. 7
Practicum 15D Digestie – Diagnostisch parasitologisch faecesonderzoek ....................................................... 10
McMaster LBH + paard ............................................................................................................................ 10
CSF methode GD ...................................................................................................................................... 10
Baermann methode ..................................................................................................................................... 11
Bloeduitstrijkje: ............................................................................................................................................ 12
Hematocriet bepaling ................................................................................................................................... 12
Gram kleuring ............................................................................................................................................... 13
2. Diagnostische beeldvorming ............................................................................................................................. 14
Practicum 14 Inleiding in de Diagnostische Beeldvorming ............................................................................... 14
3. Pathologie ......................................................................................................................................................... 18
Practicum 15 Sectietechniek ........................................................................................................................ 18
Pagina 1 van 23
, 1. LABORATORIUM
PRACTICUM 12 KLINISCHE CHEMIE: MA CROSCOPISCH EN CHEMISCH URINEONDERZOEK E N
HEMO-ANALYSE
PRINCIPE TESTEN
1. Teststrip waarbij de kleuromslag concentratieafhankelijk is en dus is het een kwalitatieve test.
2. Er zijn complete analyzers (laboratoriumrobots) en kleine analyzers die geschikt zijn in de perifere
veterinaire praktijk.
ONDERZOEK URINE EN BLOED
1. Urineonderzoek en bepaling van glucose (diabetes mellitus) en ureum (nierinsufficiëntie) in bloed met
droge chemie analyzers in de praktijk
2. Voordelen: Behandeling van spoedpatiënten, sneller helpen van cliënt (= goede PR)
3. Nadeel: relatief hoge kosten per test, betrouwbare kwaliteitsbewaking (die je bijv. met controle sera
met bekende waarden of door vergelijking met een erkend en gecertificeerd laboratorium)
4. Als je het doorstuurt dan naar veterinair laboratorium.
5. Bepaling van zuiver chemische analytische stoffen veroorzaakt weinig moeilijkheden. Bij enzym
bepalingen kunnen problemen ontstaan met de referentiewaarden (onvoldoende gestandaardiseerd).
URINE
1. Kwantitatieve bepalingen kunnen alleen in een 24uurs monster omdat de componenten van urine
constant variabel zijn (door bijv. voedselopname).
2. Kwalitatieve bepalingen worden daarom veel meer gedaan en dan met name het aantonen van stoffen
die afwezig zijn in urine van gezonde dieren.
3. De concentratie aan creatinine wordt genomen als een indicator van het volume.
1. Creatine is het afbraakproduct van creatine, aanwezig in spieren, en betrokken bij
energiemetabolisme van de spier.
2. In de spier vindt een constante, langzame afbraak plaats van creatine daardoor is er een
constante stroom van creatinine naar het plasma, en vandaar naar de nieren.
4. Macroscopisch onderzoek (fysische eigenschappen)
1. Volume = vochtopname en vochtverlies en is omgekeerd gecorreleerd met het soortelijke
gewicht.
1. Anurie: geen uitscheiding van urine
2. Oligurie: minder urine uitscheiding dan normaal
3. Polyurie: meer plassen dan normaal
2. Kleur: bepaald door urobiline (restproduct van heem), dieet, medicatie,
bewaaromstandigheden, diersoort.
1. Oligurie: donker geel
2. Polyurie: licht geel
3. Rode kleur: bloed/hemoglobine, plantenkleurstoffen (konijnen)
4. Geelbruine/geelgroene: galkleurstoffen en bilirubine
5. Bruin: myoglobine/porfyrinen.
3. Geur: door vluchtige organische zuren en is karakteristiek voor de diersoort en sexe verschillen.
Sterke ammoniakgeur (afbraak ureum door bacteriën = bacteriële blaasontsteking) en de geur
van aceton (overmatig afbraak van TAG uit vetweefsel ketonlichamen).
1. Aceton door: slepende melkziekte rund, lagere insuline secretie/gevoeligheid
(diabetes mellitus), geneesmiddelen.
4. Helderheid
1. Verse urine is over het algemeen helder, behalve bij paard, konijn en cavia (zij hebben
een overmaat aan calcium). Bij gezonde paarden kan er ook slijm van
nierbekkenklieren (stroperig tot helder water) in urine zitten
Pagina 2 van 23