GESCHIEDENIS SAMENVATTING HOO
FDSTUK 3
3.1 – kenmerken van de industriële samenleving
De uitvindingen maakten het ontstaan van industrieën mogelijk. Maar
daarvoor was nog meer nodig:
- Energie bronnen (laatste 2 eeuwen nieuwe energie bronnen erbij;
steenkool, gas, elektriciteit)
- Grondstoffen (kwamen deels uit Europa, deels uit koloniën)
- Zeer veel kapitaal (meeste kapitaal beginperiode door rijke
kooplieden & banken verschaft)
- Voldoende arbeidskrachten (minder mensen nodig in landbouw,
steeds meer met machines)
Deze veranderingen zo groot dat men spreekt van de industriële
revolutie. Door de industriële revolutie ontstond er een industriële
samenleving (samenleving waarin de meeste goederen in fabrieken
worden gemaakt & meeste mensen in de steden wonen). Deze
verandering van samenleving wordt industrialisatie genoemd.
3.2 – snelle groei van fabrieken en steden
Rijke ondernemers lieten fabrieken bouwen, kochten machines en
grondstoffen. Hij liet daar arbeiders werken, steeds meer arbeiders
vonden werk in fabrieken. Eerste fabrieken werden gebouwd bij water dan
kon dat gebruikt worden voor aandrijving van de machines, later met de
stoommachine dichtbij ijzer- en steen- koolmijnen. Arbeiders gingen
wonen bij de fabrieken waar zij werkten.
Het grootste deel van de 19de eeuw waren de woon- en
werkomstandigheden slecht (lange werkdagen 12-14 uur, werkomgeving
ongezond & gevaarlijk, kinderarbeid -> weinig scholen) maar het leven in
de steden verbetert vanaf eind 19de eeuw (werktijden beperkt 9-10 uur,
werkomgeving minder ongezond & gevaarlijk -> veiligheidswetten, verbod
kinderarbeid ->meer scholen)
3.3 overgang van handelskapitalisme naar industrieel kapitalisme
er ontstond een nieuwe vorm van economie: kapitalisme (een economie
waarin de grond en de bedrijven eigendom zijn van ondernemers die met
hun bedrijf een zo groot mogelijke winst willen maken) 4 belangrijkst
kenmerken van het kapitalisme:
1. Arbeider werkt in opdracht van een werkgever
2. Werkgever is een zakenman die het kapitaal heeft om grondstoffen,
werktuigen, vervoermiddelen en lonen te kunnen betalen
3. De meeste bedrijven in handen van particulieren
4. Werkgevers proberen zoveel mogelijk winst te maken.
FDSTUK 3
3.1 – kenmerken van de industriële samenleving
De uitvindingen maakten het ontstaan van industrieën mogelijk. Maar
daarvoor was nog meer nodig:
- Energie bronnen (laatste 2 eeuwen nieuwe energie bronnen erbij;
steenkool, gas, elektriciteit)
- Grondstoffen (kwamen deels uit Europa, deels uit koloniën)
- Zeer veel kapitaal (meeste kapitaal beginperiode door rijke
kooplieden & banken verschaft)
- Voldoende arbeidskrachten (minder mensen nodig in landbouw,
steeds meer met machines)
Deze veranderingen zo groot dat men spreekt van de industriële
revolutie. Door de industriële revolutie ontstond er een industriële
samenleving (samenleving waarin de meeste goederen in fabrieken
worden gemaakt & meeste mensen in de steden wonen). Deze
verandering van samenleving wordt industrialisatie genoemd.
3.2 – snelle groei van fabrieken en steden
Rijke ondernemers lieten fabrieken bouwen, kochten machines en
grondstoffen. Hij liet daar arbeiders werken, steeds meer arbeiders
vonden werk in fabrieken. Eerste fabrieken werden gebouwd bij water dan
kon dat gebruikt worden voor aandrijving van de machines, later met de
stoommachine dichtbij ijzer- en steen- koolmijnen. Arbeiders gingen
wonen bij de fabrieken waar zij werkten.
Het grootste deel van de 19de eeuw waren de woon- en
werkomstandigheden slecht (lange werkdagen 12-14 uur, werkomgeving
ongezond & gevaarlijk, kinderarbeid -> weinig scholen) maar het leven in
de steden verbetert vanaf eind 19de eeuw (werktijden beperkt 9-10 uur,
werkomgeving minder ongezond & gevaarlijk -> veiligheidswetten, verbod
kinderarbeid ->meer scholen)
3.3 overgang van handelskapitalisme naar industrieel kapitalisme
er ontstond een nieuwe vorm van economie: kapitalisme (een economie
waarin de grond en de bedrijven eigendom zijn van ondernemers die met
hun bedrijf een zo groot mogelijke winst willen maken) 4 belangrijkst
kenmerken van het kapitalisme:
1. Arbeider werkt in opdracht van een werkgever
2. Werkgever is een zakenman die het kapitaal heeft om grondstoffen,
werktuigen, vervoermiddelen en lonen te kunnen betalen
3. De meeste bedrijven in handen van particulieren
4. Werkgevers proberen zoveel mogelijk winst te maken.